een brief aan de directeur bij afscheid…

Beste Jan

Naar aanleiding van ons terloopse gesprek van vorige week wilde ik je graag nog even bedanken voor je vriendelijke woorden aan mijn adres en voor het feliciteren met mijn nieuwe baan. Je opmerking dat ik een zeer capabel docent ben, heeft mij getroffen en eerlijk gezegd ook wat verbaasd, aangezien ik weet dat deze afkomstig is van een onderwijsmanager nieuwe stijl, die als zodanig toch een betrekkelijke buitenstaander is in de dagelijkse praktijk van het onderwijs. Mijn complimenten gelden des te meer je opmerkingsgave.

Mijn blijdschap over je complimenteuze opmerking werd wel wat getemperd toen je vervolgde met te zeggen dat je het goed vond dat ik wegging omdat ik ‘er andere ideeën op nahoud over goed onderwijs dan de school’ (hoezo ‘zeer capabel’ en ook, wie is ‘de school’?) en sloeg om in regelrechte bezorgdheid toen je daar aan toevoegde ‘dat zouden meer mensen moeten doen’. Ik proefde daarin iets van het bedrijfsmatige dogma van ‘alle neuzen dezelfde richting op’, wat het in collectivistische culturen als die van Japan en de Verenigde Staten (zie G.J.Hofstede, Allemaal andersdenkenden; omgaan met cultuurverschillen, in het bijzonder hoofdstuk 3 ) misschien goed doet, maar wat in Nederland, uitgezonderd bij de krijgsmacht, niet thuishoort. Een school voor voortgezet onderwijs is geen legerkamp!

Een belangrijk uitgangspunt bij de organisatie van scholen is het zgn. congruentieprincipe, volgens welke leerprocessen van leerlingen, leraren en schoolleiding – de drie niveaus in een school als lerende organisatie – op elkaar behoren te lijken, of tenminste op elkaar behoren te worden afgestemd. (zie B.Lagerwerf en F.Korthagen, Een leraar van klasse, p. 288-289). Maar wie zegt dat de schoolleiding hierbij het voortouw dient te nemen? Naar mijn mening behoren de ‘professionals’ in de organisatie, de leraren dus, dat te doen; tenslotte zijn zij de échte deskundigen. In verwijs ook naar een recent artikel (NRC Handelsblad, 20 april 2007) van Walter Dresscher, voorzitter van de AOB (toch óók een onverdachte bron, Jan), waarin deze beargumenteert dat managers de laatste decennia een veel te grote machtspositie in het onderwijs zijn gaan innemen, die hen qua deskundigheid niet toekomt, en de leraar ‘in de berm is gemanoeuvreerd’. In mijn eigen woorden: ‘zakelijk onderwijs’ heeft ‘bezield onderwijs’ verdrongen. De schade die het onderwijs daarmee is aangedaan, en daarmee onze leerlingen, is immens.

Naar mijn mening kan een school alleen goed gedijen wanneer er – binnen de kaders van een congruente visie op onderwijs – ruimte wordt geboden aan de specifieke talenten van individuele leraren. De pluriformiteit die daarvan het gevolg kan zijn, is essentieel voor een goed werkklimaat binnen de school. Ik maak mij zorgen over een ontwikkeling waarbij leraren die het niet met de visie van de schoolleiding eens zijn, zich niet meer binnen de school thuis zullen voelen en dus willen vertrekken. Die zorg wil ik graag met je delen Jan.

De drijfveren van veel leraren bij de uitoefening van hun zware beroep zijn volgens mij het enthousiasme voor het vak (de ‘bezieling’) en het overdragen daarvan op leerlingen (zie ook F. Korthage, in een interview, Het eigen ik van de leraar, NRC Handelsblad, 3-1-2001) Het is ook wat leraren in staat stelt jaar in jaar uit belangeloos overwerk te verrichten, al moet mij van het hart dat de ‘zakelijke kant van het lesgeven’, waar jij in het gesprek aan refereerde, op dit punt bij leraren wel wat sterker aanwezig zou mogen zijn.
Ik wil je ook wijzen op een artikel van Hester Macrander, als voorstander van het ‘nieuwe leren’ wel een zéér onverdachte bron, in de NRC van 9 juni 2007, waarin zij stelt: “…laat de leraren vooral hun eigen competenties goed gebruiken. Heb je iemand in de school die mooie verhalen kan vertellen waarbij de leerlingen aan zijn lippen hangen, laat hem dat dan vooral doen…” Dergelijke leraren zijn goud waard, zij zijn het waar de leerlingen zich door laten stimuleren en waar zij later met affectie aan terugdenken. Houd ze in ere en behoud ze voor de school! Verzakelijking en ondoordacht vernieuwen heeft veel stuk gemaakt, dat het tij moge keren.

Overigens: in alle serieuze publicaties over het ‘nieuwe leren’ wordt gepleit voor de inzet van veel leraren en voor het aanbieden van veel vakinhoud. ‘Zakelijk denken’, bezuinigingen en dogmatiseren hebben ertoe geleid dat er van het ‘nieuwe leren’ niet veel terecht gekomen is, met het huidige drama in ons onderwijs als gevolg.
Het zou toch heel treurig zijn als de huidige tendens, waarbij de waarde van een eindexamen steeds meer gaat afhangen van de school, in het bijzonder van de mate waarin het schoolonderzoek serieus wordt afgenomen, gaat doorzetten. Ik kan er, ook na mijn recente ervaringen, niet helemaal gerust op zijn.

Omdat ik mijn zorgen over het onderwijs niet alleen met jou, maar ook met mijn vrienden en collega’s binnen de school wil delen, heb ik laatstgenoemden een cc gestuurd.
Uiteraard ben ik gaarne bereid de in deze brief aangehaalde artikelen en hoofdstukken uit boeken digitaal naar je op te sturen.
Ik wens jou én alle andere betrokkenen binnen de school succes, wijsheid en bezieling toe!

2 Reacties

  1. Vreemd maar geen uitzondering
    Uw directeur vindt u capabel en is toch blij dat u weggaat. Dat is het probleem in een notedop. Hoe kan je blij zijn met het vertrek van een capabele kracht?
    Dat kan alleen als die capaciteiten je in feite geen lor interesseren, en als de politieke koers van je school voor jou belangrijker is dan de geboden kwaliteit.

    Ik denk eigenlijk dat het baas spelen over schoolpersoneel ook een bijzondere vorm van tact vereist.
    Per slot van rekening is elke ouderwetse leraar een directeurtje in zijn eigen klas, en volgens mij heb je om 5 tot 6 maal per dag 30 pubers in het gareel te houden minstens zo veel directeurspotentieel nodig als een chef op een kantoor. Toegegeven, je ‘ondergeschikten’ zijn anders, maar lang niet altijd makkelijker.
    Een schooldirecteur moet dus directeur over allemaal andere directeurtjes spelen, en waarschijnlijk komt daar het probleem vandaan. Wil zo iemand enig gezag hebben, dan zal hij of zij toch zelf eigenlijk een meer dan gemiddeld goede docent moeten zijn. In alle andere gevallen zullen zijn ondergeschikten, zoals nu vaak het geval is, bij zichzelf denken: ‘wie ben jij eigenlijk, om mij te vertellen hoe ik het moet doen?’.
    Maar meer dan gemiddeld goede docenten hebben vaak helemaal geen ambitie om directeur te worden. Hun inhoudelijke genoegen halen ze uit de lesstof, en hun geldingsdrang (of om het wat aardiger te zeggen: hun leidinggevende capaciteiten) kunnen ze kwijt op de leerlingen. En dus krijg je vaak het type schoolleider dat we nu zien: meer praatjes dan gezag.
    Het alternatief is een niet zo goede docent als schoolleider, maar dan wel eentje die snapt dat hij onder geen beding op het terrein van zijn docenten moet komen. Eentje die zijn beperkingen onder ogen ziet en verder dienstbaar probeert te zijn aan de mensen die het werk moeten doen. Zo iemand kan dan toch uitgroeien tot goede schoolleider en zo het respect verdienen van zijn ondergeschikten.

  2. prachtige brief
    Lente,

    Complimenten voor een mooi afscheid. Treurig dat het op meerdere scholen (mogelijk in het gehele onderwijs?) zo droevig gesteld is met de kwaliteiten van de managers.
    Ik werk, na vele omzwervingen en negatieve ervaringen, tegenwoordig op een school waar de docenten hun tanden laten zien. Naast een constructief meedenken is dit af en toe noodzakelijk om je gezonde eigenbelang en het belang van de leerlingen goed te kunnen dienen.
    Ik hoop dat meer docenten gezamelijk durven te grommen naar de baas.
    Dit dwingt meer respect af dan steeds maar pootjes geven en op je rug liggen.

Reacties zijn gesloten.