Ondanks het gevaar van onvolledigheid en het daarmee gepaard gaande onvolledigheid van argumentatie het volgende.
Binnen het debat van de onderwijsvernieuwing is het basisonderwijs stiefmoederlijk behandeld. Nochtans ligt hier de kiem van “slagen” of “niet slagen” gezien in zijn maatschappelijke context.
Graag had ik dat u even de ogen sloot en het beeld oproept van uzelf in de basischool, geen groep 4 of 7 maar de 2e klas. Zie u zelf zitten tussen al die kindjes, juf of meester vooraan aan het schoolbord, allen netjes in het schoolbankje. Dit is verleden tijd, ik herinner mij ook het rietje en “de lat”, het hoedje met de ezelsoren en de hoek. Maar ook de gezellig snorrende steenkoolkachel in de winter, waar de meester in een goede bui voor ons allen kastanjes op pofte.
De pedagogiek toendertijd bestond er in dat een zeker competitiegeest in de klas werd aangewakkerd. Voor alles waren punten te verdienen, voor geschiedenis, lezen, schrijven, aardrijkskunde, rekenen, vlijt, zelfs voor “mooi schrijven”. De “kleppers” diegene met veel punten dus, daar keken we naar op, dat wilden we ook, want die werden beloond. Ze mochten vooraan in de klas zitten, kregen een leuk “gouden” kroontje op het hoofd, hadden zelfs een met “goud” omrand rapport. Ook werd er tegen hun nooit gezegd dat ze een ezel, luierik, domoor, bietekwiet ( de lijst van koosnaampjes was onuitputtelijk) waren. Het schijnt dat deze behandeling niet goed is voor de tere kinderziel en daarom doen we het nu anders, heel anders. De koosnaampjes zijn ( gelukkig) verdwenen en je hoeft ook niet meer je best te doen. Een beetje je best is ook al goed genoeg, en als je normaal doet als kind krijg je ook een beloning.
Nu de onderliggende processen.
Elke klas is ruwweg in te delen in drie grote delen en dat volgens een normaalverdeling. 25% “slechte” leerlingen, 50 % “normale” leerlingen en 25% “goede leerlingen” . Elke groep heeft dan weer op zichzelf een normaalverdeling, maar laten we dat even buiten beschouwing. Wat gebeurt er nu in de “competitie gericht school” ( niet te verwarren met compeTENTie) . Elk mens hoe groot of hoe klein spiegelt zichzelf aan anderen, en vergelijkt zichzelf met anderen, zowel de materiele kant als de “mens” kant speelt hierbij een rol. Gevolg hiervan is dat we een emotie kennen zoals jaloezie, maar ook een “er bij willen horen” of ambitie-emotie. Het leuke hiervan is dat we bij “de goede” kant willen horen, bij de beste, de winnaar, de grootste, de langste, de snelste, de slimste. En als we het zelf niet zijn willen we wel in hun schaduw kunnen staan. Snelle jongens die dit gevoel uitbuiten maken dan programma’s zoals idols, sterren schaatsen op het ijs enz… Het succes van You Tube is o.a. te danken aan deze ambitie-emotie, immers de grootste nitwit, de simpelste nul kan ten aanschouwe van de wereld zichzelf te kijk zetten en zeggen “kijk eens wat ik allemaal kan, ik hoor er bij”. Jaja mensen zijn rare dieren.
Het gevolg daarvan in een klas is deze. Door het opkijken naar, het belonen van, het ook er bij willen horen bij, schuift de verhouding 25-50-25 als het ware op naar boven. De normaalverdeling laat na verloop van tijd een ander beeld zien naar 15-50-35, ook hier rekening houden met de “interne normaalverdeling” van de groepen. We kunnen concluderen dat door een competitie-school, je zou het ook “het goede voorbeeld”- school kunnen noemen kinderen niet alleen geneigd zijn maar ook uitgedaagd worden om bij de beste te horen, waardoor het bovenstaande positieve effect ontstaat.
Het omgekeerde is jammer genoeg ook waar. Geef de 25% “slechte” leerlingen alle aandacht, beloon ze voor “normaal” gedrag en “normale” inspanning, zet ze vooraan in de klas en de normaalverdeling verschuift naar beneden in ongeveer dezelfde verhouding 35-50-15. In principe geef je als juf of meester hiermee aan dat de minder goede leerling “het goede voorbeeld” is.
Wat onze overheid ook bedenkt, brede school, nog bredere school, de breedste school, dit alles heeft geen zin als de juf of meester gedwongen wordt om de minder goede leerling in de klas als voorbeeld te stellen. Weer samen naar school, niet doen dus. Alle aandacht in de klas, ik herhaal IN DE KLAS, naar dyslectici, discalculisten, ADHD’ers enz… Hoe hard ook mij dit tegen de borst stuit is niet aan te raden. Dit moet zijn beslag krijgen buiten het klasseverband. Wel aan te raden is de aandacht naar de bollebozen, de hoogbegaafden en anderen. En hierbij gebruik maken van een ladder-competitie.

Brede school in Vlaanderen
Hoe wordt de buurt of wijk een omgeving waar kinderen en jongeren de kans krijgen om wereldwijs te worden? Hoe bouw je de samenwerking tussen school, gezin en lokale, formele en informele organisaties zo uit, dat daaruit een Brede School ontstaat? Een School dus met een hoofdletter, waar kinderen en jongeren zich veilig en geïnspireerd voelen om op allerlei terreinen hun competenties op te bouwen?
*Lees verder…*
Zie ook *volledige tekst* (12,7 MB)
En wat plaatjes: 1; 2; 3; 4; 5; 6; 7
Jeronimoon,
Ik ben het eens met je tekst, maar zie niet in wat het met de ‘brede school’ te maken heeft.
Zie hier
En..
..zie ook hier
Juffen en (nog) ’n enkele meester
worden in toenemende mate gesloopt door werkdruk en ’n groeiend aantal kinderen, dat niet in het reguliere basisonderwijs thuishoort.
Brede scholen zijn lapmiddelen en schijnoplossingen vanuit de politiek.
Oplossingen zitten in kleinere scholen, minder werkdruk en goed speciaal onderwijs. Weer samen naar school zou best kunnen (zie buitenland), maar daar hebben we in Nederland het geld niet voor (over).
Studiekeuze
‘Jongeren zijn pas tegen het einde van de adolescentie, zo tussen 17 en 21 jaar, toe aan het beantwoorden van de identiteitsvraag. Het is dus geen wonder dat velen moeite hebben met de studiekeuze’, aldus ontwikkelingspsycholoog professor Michiel Westenberg. Vrijdag 8 februari houdt hij de diesoratie.
*Lees verder…*