Door: Ton Bastings – Herinneringen aan meester Jan
Meester heeft hier een dubbele betekenis. De meester in de rechten en de schoolmeester. Over de eerste kunnen we kort zijn. Op de vraag waarom hij geen rechter of strafpleiter was geworden, antwoordde hij steevast dat hij niet tegen zijn verlies kon. Vooral niet als hij zeker wist dat hij gelijk had. Hij moest en hij zou winnen. Dan de schoolmeester. Dat lag eenvoudiger. Jan had een gezin en er moest brood op de plank komen. Hij werd leraar recht bij de mbo-opleiding juridisch medewerker in Den Bosch. Jan zei altijd: “Als leraar moet je je vak beheersen en met ‘die jong’ om kunnen gaan. Als je een van de twee niet beheerst, heb je niks in het onderwijs te zoeken”. Zijn vak beheerste hij tot in de puntjes en met ‘die jong’ kon hij lezen en schrijven. Hij zei dat hij voor het mbo had gekozen, “omdat die kinderen het veel harder nodig hadden, dan hoogbegaafde gymnasiasten”.
Eerste kennismaking. We schrijven augustus 1990. De zoveelste fusie van afdelingen op het KW1C had weer eens plaatsgevonden. Zo’n 150 leraren zaten verveeld in de aula te luisteren naar de kletspraat van het CvB over het nieuwe leren. Plotseling werden ze opgeschrikt door een onbedaarlijk lachsalvo van een docent midden in de zaal. Verdiept in zijn boek werd hij aangenaam getroffen door een komische passage. Dat bleek ene Jan Spoormakers te zijn, compleet anders dan alle andere docenten.
Het boek stond centraal bij Jan. Zinloze bezigheden en loze praatjes waren hem een gruwel. Dan trok hij zijn eigen plan en greep hij naar het boek. Zo vertelde hij eens dat hij in het begin van de middelbare school tijdens een saaie godsdienstles verdiept was in de Leeuw van Vlaanderen van Henrik Conscience. Van de leraar, een broeder, moest hij het boek afgeven. Dat weigerde Jan. Die leraar wilde het boek afpakken, maar Jan liet niet los. Zo werd hij met boek en al de halve school doorgesleept tot aan de kamer van de directeur. Maar Jan gaf het boek niet af. Dat voorval was kenmerkend voor Jans eigengereidheid en vastberadenheid en tevens de voorbode van zijn fenomenale eruditie. Hij liet het boek niet los en het boek zou hem nooit meer loslaten. Als je hem thuis bezocht trof je hem 9 van de 10 keer aan in een boek. De ultieme leesomgeving voor Jan was het strand. Van zonsopgang tot zonsondergang lezen. De complete wereldliteratuur, met een voorkeur voor de klassieke talen, had hij doorgeworsteld. Te pas en te onpas citeren uit het Grieks en Latijn. Meesterwerken herlas hij met tussenpozen van enkele decennia. Omdat zijn visie was gerijpt, veranderd. Tevens had hij een brede interesse voor filosofie en maatschappijkritische onderwerpen. Over poëzie sprak hij nooit. Een uitzondering waren de verzen van Willem Elsschot, die hij op onverwachte momenten citeerde: “Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren en ook weemoedigheid, die ’s avonds komt en niemand kan verklaren”.
Dat unieke eigenzinnige karakter kwam op school tot volle ontplooiing. Jan was keizer in zijn klas. Hij en niemand anders bepaalde wat er daar gebeurde. Op een zeker moment was lesgeven door het CvB zelfs verboden. Leerlingen moesten zelf ‘leren leren’. Maar niet bij Jan Spoormakers. Jan gaf gewoon frontaal les. Stof uitleggen, oefeningen maken en samen nakijken. En dat alles met een welluidende stem, zodat je in de gang de humoristische opmerkingen kon horen waarmee hij taaie lesstof smaakvol opdiende. Jan had zijn lokaal op de derde verdieping. Het kwam regelmatig voor dat er op de lagere verdiepingen allerlei schoolspullen voorbij het raam kwamen: boeken, schriften, etuis, agenda’s etc. Dan wist je dat een leerling bij Jan niet had opgelet. Hij liep dan naar het raam en hield de tas van de leerling ondersteboven. Die kon dan buiten alles bij elkaar gaan zoeken en kreeg ook nog de mededeling mee: “je hebt geluk dat het niet regent”. Zijn cynisme was lachwekkend. Schaarsgeklede meisjes bijvoorbeeld, weigerde hij de toegang tot zijn lokaal. Hij ging dan in de deuropening staan en verwees ze naar boven met de mededeling: “de cursus paaldansen is boven”. Maar als je vele jaren later oud-leerlingen juridisch tegenkwam, spraken die altijd vol bewondering en ontzag over één leraar die ze nooit zouden vergeten: ‘meneer’ Spoormakers van wie ze zo veel
hadden geleerd. Dikdoenerij en opsmuk waren hem een gruwel. Jan was heel gewoon. Van hotemetoten en poeha moest hij niets hebben Jan voelde zich verwant met de gewone man. Paardenvolk, wielervolk, de biljarters in het café. Hij kon prachtig vertellen over de avonturen met zijn paard ‘de Ulaan’. Als de boswachter hem wilde verbaliseren, omdat hij zich in verboden gebied bevond, gaf Spoormakers zijn knol de sporen. Dwars door de bosschages. Ze konden hem in hun jeepje nauwelijks bijhouden. Hij wist de weg op de Kampina als geen ander. De ultieme ontsnapping: de sprong over het wildrooster en de sprong over het afsluithek. Zijn achtervolgers in verbijstering achterlatend. Ze moeten wel iets doen voor hun centen, was zijn droog commentaar.
Een andere geldkwestie was ook typerend voor Jan. Op school haalde hij eens zijn broek open aan een spijkertje van de lerarenstoel. Dat was volgens Jan te wijten aan ondeugdelijk materiaal in het klaslokaal. De school was in zijn ogen verantwoordelijk. Hij diende een rekening in, maar zijn broek werd niet vergoed. Dat pikte hij niet. Hordes leraren reisden op kosten van de school de halve wereld rond, maar voor Jans broek was geen geld. Hij loste het op, op zijn manier. Jan belde naar school dat hij niet kon komen, omdat hij geen broek had. Dezelfde dag werd hij teruggebeld dat het geld klaar lag.
Oneerlijkheid en onrecht werkte op hem als een rode lap op een stier. In de jaren ’90 stond er in het landelijk blad van de onderwijsbond, de Aob, een uitgebreide reportage over het KW1C, Jans school. Naast een grote foto van het CvB dikgedrukt de quote van het CvB: de meeste docenten zijn onbewust onbekwaam. Dat hebben ze geweten, want Jan vloog erin. Als je het bij Jan verbruid had, had je het voorgoed verbruid. Hij liet zien wie er werkelijk onbewust onbekwaam waren. Hij zei altijd: “ik zal ze laten zien dat ze en niet kunnen lezen en niet kunnen schrijven”. Ze de ‘Levieten lezen’ noemde hij dat. Elk schrijven van het CvB werd door Jan voortaan taalkundig onder de loep genomen. Alle taal- en stijlfouten, en dat waren er nogal wat, werden door hem deskundig aan de kaak gesteld. Zoals een schoolmeester, rood onderstreept met correctie. Dat schrijven werd regelrecht teruggestuurd aan het CvB met een cc’tje aan alle collega’s. Altijd opende hij met dezelfde beginzin: “cognitie nemend van uw schrijven, werd ik overvallen door een vehement gevoel van spleen (diepe, diepe neerslachtigheid). En dan volgde de opsomming van hun onkunde.
Hij provoceerde ook als hij de kans kreeg. Toen het KW1C ‘rookvrij’ was geworden, zag hij op het schoolplein de voorzitter van het CvB lopen met staatssecretaris Turbo Tineke Netelenbos. Die buitenkans liet hij niet liggen. Hij ging ze tegemoet, een sigaar opstekend.
Jans grote kracht was zijn taalkundig vermogen, de vrucht van zijn fenomenale eruditie. Hij verbeterde geestdriftig de methode recht die op school werd gebruikt. Alle correcties werden blindelings door de uitgever overgenomen. Niets ontsnapte aan zijn haviksblik. En als je het geluk had dat hij je wilde helpen bij je dissertatie, was je zwaar bevoorrecht. Taalongerechtigheden die de promotoren niet zagen, zag Jan wel. Ze konden niet in zijn schaduw staan. En toch bleef hij altijd bescheiden op de achtergrond. Altijd gewoon, buitengewoon gewoon.
De mortuis nihil nisi bene, over de doden niets dan goeds, dat waren altijd Jans woorden als we afscheid moesten nemen van een collega. Nu betreft het jezelf. Ook over jou, niets dan goeds. Leermeester Jan: zeer direct en recht door zee (daar moest je wel tegen kunnen), goudeerlijk, cynische humor (daarmee camoufleerde hij zijn overgevoeligheid), overgevoelig vooral voor onrecht, wars van dikdoenerij, een groot relativeringsvermogen, maar een heel klein hartje in de betekenis van snel geraakt door emoties. Een groot hart dus. Wat hij zei, meende hij oprecht. Bij het laatste bezoek zei hij meerdere malen: “ik heb een schitterend wijf”.
We verliezen een markante collega, een icoon, maar de puike herinneringen blijven, zei een oud-collega. Het boek Jan Spoormakers is nu dicht. Het heeft een onuitwisbare indruk op me gemaakt en een prominente plaats in de boekenkast van mijn hart. Jan, bedankt voor alles!
Bron: Bijdrage van Ton Bastings bij het afscheid van BON-lid Jan Spoormakers.

Laat een reactie achter
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.