BON reageert op internetconsultatie nota van wijziging WIB

Bijdrage Beter Onderwijs Nederland aan internetconsultatie nota van wijziging Wet internationalisering in balans

Deze nota van wijziging bevat een ingrijpende koerswijziging op het gebied van internationalisering en verengelsing van het hoger onderwijs. Na ruim tien jaar vergeefse politieke pogingen om het (academisch) Nederlands weer een serieuze rol te geven in het hoger onderwijs, vooral op bachelorniveau, zou dit voorstel (indien in deze vorm aangenomen) hieraan een einde maken. Het voorstel Wet internationalisering in balans (WIB) wordt zodanig gewijzigd dat het juist het tegendeel bereikt van wat deze wet volgens de toelichting beoogt.

Daarmee behelst deze nota van wijziging een volledige capitulatie van de regering aan de universiteitsbesturen, die volledige zeggenschap over taalbeleid eisten en die hiermee ook zouden krijgen. Dit is precies waar Rianne Letschert in haar vorige rol als bestuursvoorzitter van de Universiteit Maastricht succesvol voor gelobbyd heeft, alsook onder meer Caspar van den Berg (VVD) van lobbyorganisatie UNL en Annelien Bredenoord (D66, bestuursvoorzitter Erasmus Universiteit Rotterdam). Dat de schijn van belangenverstrengeling hier niet vermeden wordt, moge duidelijk zijn. Mede door deze effectieve lobby van universiteitsbestuurders bij de Tweede Kamer is de WIB zodanig uitgekleed dat er vrijwel niets van is overgebleven.

In de toelichting bij de nota van wijziging schrijft de regering: ‘Eén van de hoofddoelstellingen van het wetsvoorstel is het behouden en versterken van het Nederlands als onderwijs- en onderzoekstaal.’

Maar door de keuze voor onderwijstaal volledig bij de instellingen te leggen, wordt het Nederlands als onderwijs- en onderzoekstaal juist verzwakt. De financiële prikkels tot verengelsing blijven immers ongewijzigd, waardoor het voor opleidingen die te maken hebben met een lagere instroom onweerstaanbaar zal blijven om op het Engels over te schakelen, zodat ze kunnen vissen uit een veel grotere vijver van potentiële studenten, uit de hele wereld, en daarmee meer bekostiging zullen ontvangen. Dit fundamentele probleem is niet weggenomen – anders dan het verkiezingsprogramma van D66 uit 2023 beloofde: ‘Financiële prikkels om op Engelstalig onderwijs over te stappen halen we zoveel mogelijk uit de bekostiging van het onderwijs’.

Zoals minister Dijkgraaf (D66) schreef in de memorie van toelichting bij het indienen van de oorspronkelijke WIB: ‘De verantwoordelijkheid voor een doelmatige besteding van overheidsmiddelen ligt bij de overheid. Zij moet haar verantwoordelijkheid kunnen nemen indien daar aanleiding toe bestaat. Daarbij zijn, waar nodig, focus en doorzettingsmacht van belang. […] Het past binnen de stelselverantwoordelijkheid van de Minister van OCW dat de bredere maatschappelijke effecten van het onderwijsbeleid worden meegewogen. Deze stelselverantwoordelijkheid vereist een actieve houding van de overheid.’

Dit principe wordt door deze nota van wijziging met voeten getreden. Het is niet logisch dat de verantwoordelijkheid voor onderwijstaal zo alleen bij de instelling wordt gelegd, terwijl de overheid betaalt. De financiële prikkels zijn zodanig dat instellingen altijd wel redenen kunnen bedenken waarom een Engelstalige opleiding doelmatig is. De belastingbetaler mag dan de portemonnee trekken, maar heeft dan geen enkele zeggenschap meer over de onderwijstaal.

In de huidige Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is onderwijstaal wél expliciet een overheidstaak. Dit is zo gekomen op initiatief van D66-Kamerlid Aad Nuis, die bij de wetsbehandeling in 1992 zei:

“Ik zeg […]  toch nog iets over [de voertaal] in deze plenaire zitting omdat ik van mijn kant geen twijfel wil laten bestaan over de bedoeling van de bepalingen die bij de zesde nota van wijziging alsnog in de wet zijn opgenomen. Het spreekt voor zichzelf dat het hoger onderwijs een knooppunt is van het internationale verkeer van de geest. Wetenschap, techniek en bestuur zijn zo diep doorgedrongen in de samenleving dat één internationale hoger-onderwijstaal, zoals vroeger het Latijn, een onmogelijkheid is geworden. Overal heeft de landstaal die taak overgenomen, zeker ook het Nederlands. Daarnaast dient iedereen die op een bepaald niveau zijn vak beoefent, grondig thuis te zijn in de talen die het internationale verkeer in dat vak domineren. Dat is meestal het Engels, maar soms zijn het ook andere talen. Men moet dus leren vertalen. Dat is een hele opgaaf, en met de toenemende internationalisering wordt die opgaaf groter. Er zal veel aandacht aan moeten worden gegeven. Eén oplossing voor dat reële probleem is een schijnoplossing, en dat is het elimineren of terugdringen van de landstaal, bij het ons het Nederlands, als vanzelfsprekende doceer- en examentaal. Die weg leidt tot verarming van het denkproces voor de student – die leert immers niet goed vertalen – en op den duur tot verarming van het Nederlands. Zeker dat laatste is een verantwoordelijkheid van de overheid die niet aan de instellingen alleen kan worden overgelaten. In de wet dient de richting te worden aangegeven zonder een starheid die de reële eisen van het internationale verkeer zou miskennen. Me dunkt, dat is alvast gelukt.”

Het gaat om artikel 1.3 lid 5 WHW, dat voorschrijft: ‘De instellingen richten zich in het kader van hun werkzaamheden op het gebied van het onderwijs wat betreft Nederlandstalige studenten mede op de bevordering van de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands.’ Daartoe is destijds artikel 7.2 in het leven geroepen, dat voorschrijft dat onderwijs en examens in het Nederlands zijn, tenzij er een noodzaak is tot onderwijs in een andere taal. Die uitzondering is bedoeld voor afzonderlijke vakken, niet voor hele opleidingen, zo heeft de belangrijkste WHW-deskundige Peter Kwikkers meermaals gezegd. Daarmee voldoet de huidige grote mate van verengelsing niet aan deze wet. In plaats van de huidige wet te handhaven, waar de Tweede Kamer via de motie-Omtzigt in ruime meerderheid heeft opgeroepen.

Aanbevelingen van BON:

  • Behandel de taalkwestie alleen in samenhang met bekostiging. De uit de hand gelopen verengelsing en internationalisering zijn immers veroorzaakt door de perverse prikkels in de huidige bekostigingssystematiek, die het werven van zoveel mogelijk studenten in de hand werkt. Dit probleem wordt alleen maar urgenter door de demografische krimp die eraan komt; daardoor zal het voor instellingen alleen maar verleidelijker worden om nog meer opleidingen te verengelsen om te compenseren voor dalende instroom. Instellingen worden nu financieel rijkelijk beloond als zij het academisch Nederlands verwijderen uit hun opleidingen. Die prikkel wordt door het huidige voorstel niet weggenomen, nee zelfs versterkt. Een eenvoudige ingreep zou zijn: niet-Nederlandstalige bacheloropleidingen worden in principe niet bekostigd. Studenten betalen voor Engelstalige bacheloropleidingen of -trajecten dan het instellingscollegegeld; de overheid kan bij bepaalde opleidingen eventueel studiebeurzen beschikbaar stellen als er een nationale behoefte is aan meer studenten. Opleidingen die daardoor moeten overschakelen op het Nederlands, kan de overheid gedurende langere tijd ruimhartig financieel compenseren, zodat ze geen docenten hoeven te ontslaan wegens afnemende studentenaantallen en zodat er een prikkel ontstaat tot kleinschalig onderwijs.
  • Stel tot die tijd verplicht dat er voor iedere Engelstalige bacheloropleiding een equivalent Nederlandstalig traject komt aan dezelfde instelling.
  • Deze nota van wijziging kan gerepareerd worden door onderstaand voorstel van BON. Mocht de nota van wijziging niet in die richting worden aangepast, dan zal BON de Tweede Kamer adviseren de WIB weg te stemmen, omdat het dan een aanzienlijke achteruitgang zou betekenen ten opzichte van de huidige wet, waarmee de meertalige traditie van het Nederlandse hoger onderwijs om zeep zou worden geholpen. Het Nederlands als academische taal zou dan in nog grotere mate plaatsmaken voor een Engelstalige monocultuur en daarmee in nog mindere mate aansluiten op onze grotendeels Nederlandstalige samenleving en werkveld, met alle maatschappelijke schade van dien.

 


Voorstel BON aanpassing nota van wijziging WIB

Geachte lezer,

Ons voorstel is om de volgende aanpassing aan te brengen in de Concept Nota van Wijziging WIB:

(Bovenaan pagina 2)

De door de minister voorgestelde openingszin van artikel 7.2 derde lid die nu als volgt luidt:

‘3. In afwijking van het eerste lid, kan een opleiding of een traject voor meer dan een derde deel van het totale aantal studiepunten van de opleiding of het traject in een andere taal dan het Nederlands of het Fries worden verzorgd indien…’

Zouden we willen vervangen door de zin:

‘3. In afwijking van het eerste lid, kan een bacheloropleiding of een bachelortraject voor maximaal de helft van het totale aantal studiepunten van de bacheloropleiding of het bachelortraject in een andere taal dan het Nederlands worden verzorgd en geëxamineerd indien…’

Wat lost de door ons voorgestelde aanpassing op?

Op deze manier leert iedere overheidsbekostigde bachelorstudent het Nederlands op een hoog niveau aan (d.m.v. ‘taallerend zaakvakonderwijs’ dat veel effectiever is dan losse taalvakken of extracurriculaire cursussen), wat nodig is voor het behoud van onze hoogwaardige landstaal, voor binding in de samenleving en voor communicatie over je vak in de landstaal. Het begrip bij colleges gegeven in het Nederlands zal hoger zijn en daarmee de  kwaliteit van de opleidingen. Alleen buitenlandse bachelorstudenten die de band met Nederland belangrijk vinden, zullen komen omdat zij bereid zijn om Nederlands te leren. Dit leidt vermoedelijk tot een afname van 50% van het aantal buitenlandse studenten en daarmee tot een kostenbesparing van meer dan een half miljard euro. Studentenkamers zijn weer beschikbaar, bacheloropleidingen met een numerus fixus zijn weer toegankelijk voor Nederlandse studenten en Nederlandse afgestudeerden uit niet-tekortsectoren ondervinden minder concurrentie op de arbeidsmarkt.

Waarom leidt de door ons voorgestelde aanpassing tot ‘balans’?

De grensregio’s zullen Duitse en Belgische Bachelorstudenten nog steeds vrijwel moeiteloos zien aanschuiven bij de Nederlandstalige colleges (weten we uit ervaring) omdat zij het Nederlands beheersen of gemakkelijk oppikken, wat past bij hun regiofunctie. De bekostigde masteropleidingen krijgen niet minder ruimte om hun opleidingen in het Engels te geven en daardoor buitenlandse studenten aan te trekken in het belang van wetenschappelijke samenwerking. Ook in de bachelorfase blijft internationale uitwisseling mogelijk, bijvoorbeeld tijdens de minor of stage. Een tekort aan Nederlands sprekende docenten zal niet ontstaan doordat veel vakken (maximaal de helft in de bachelorfase en daarnaast de master) in een andere taal gegeven kunnen worden en het totale aantal studenten zal afnemen. Ook ontstaan er geen problemen bij de talenopleidingen omdat de helft van de vakken gegeven kan worden in de doeltaal. Uiteraard dienen ook deze studenten het Nederlands op hoog niveau aan te leren wat kan gebeuren in vakken als ethiek, taalgeschiedenis, onderwijskunde, etc. Bacheloropleidingen in tekortsectoren of kleine essentiële opleidingen kunnen door handig inroosteren dezelfde collegezaal gebruiken als een niet-bekostigde Engelstalige parallelopleiding. De niet-EER-studenten dienden altijd al instellingscollegegeld te betalen en zullen zo niet in aantal afnemen. Eventueel kunnen vanuit EZ of het bedrijfsleven beurzen verstrekt worden aan geselecteerde EER-studenten van niet-bekostigde Engelstalige opleidingen in tekortsectoren.

NB – We delen (zie de toelichting op het wetsvoorstel) het belang dat de minister hecht aan een goede beheersing van de Nederlandse taal door (ook buitenlandse) afgestudeerden, het belang van internationale samenwerking in de wetenschap en de mogelijkheid om internationaal talent aan te trekken voor (regionale) tekortsectoren, het belang van onderwijs in de doeltaal bij talenopleidingen, en daarnaast het belang dat onderwijsinstellingen in de grensregio’s ook kleine essentiële opleidingen kunnen blijven aanbieden. Maar, we denken dat deze doelen niet gerealiseerd zullen worden door de aanvulling op de WIB die de minister voorstelt.

Zolang de afzonderlijke hoger onderwijsinstellingen door het huidige bekostigingsmodel gedwongen worden om te concurreren en in het belang van hun voortbestaan (en banenbehoud) zo veel mogelijk studenten te werven, zal zelfregie net als in de voorgaande decennia niet tot substantiële verbetering van de Nederlandse taalvaardigheid van afgestudeerden en beperking van het aantal niet-blijvende buitenlandse studenten leiden. Dat is hetzelfde als Shell, BP en ExxonMobil vragen om samen te besluiten hoe ze minder olie gaan oppompen. Los daarvan, wetgeving is er juist omdát zelfregie leidt tot schade voor de maatschappij en individuen. QED.

Ook het instellen van beoordelingscommissies die mogen bepalen welke opleiding in verband met regionale factoren of arbeidsmarkttekorten Engelstalig mogen zijn, vinden we geen slimme keus. De criteria hiervoor (ook zoals ze nu zijn geformuleerd in het wetsvoorstel) zijn nooit zo te formuleren dat ze op efficiënte en effectieve wijze voor het onderscheid gebruikt kunnen worden. Het valt ook niet te beargumenteren dat door de overheid bekostigde bachelorstudenten van bepaalde opleidingen geen academisch Nederlands zouden hoeven leren. Ook deze studenten hebben recht op een taalbeheersing die ze in staat stelt om deel te nemen aan onze maatschappij en het maatschappelijk debat op een niveau dat past bij hun opleidingsniveau. Voor deze maatschappelijke taak dienen ze opgeleid te worden.

Geef als eerste een reactie

Laat een reactie achter