Investeer in opleidingen

Door Ton Bastings

Leraren in het mbo worden voor hun voornamelijk administratieve functie best goed betaald, vindt Ton Bastings, leraar Nederlands in het mbo. De overheid kan beter investeren in het opleiden van leerkrachten met een uitstekende vakkennis dan in hogere salarissen.

 

Sinds ik veertig jaar geleden begon in het mbo is het beroep leraar in de maatschappelijke perceptie flink afgewaardeerd. Die afwaardering behelst zowel status als imago. Met de herziening van de onderwijssalarissen in 1985, de beruchte HOS-nota, kreeg niet alleen de status een flinke knauw. Ook het imago had daaronder te lijden. Deze bezuiniging heeft de academici het klaslokaal uitgejaagd.

Andere kenniscentra, zoals de bestaande opleidingen voor leraren in het voortgezet onderwijs (mo A- en mo B) werden definitief ontmanteld. De tweedegraads lerarenopleidingen kwamen daarvoor in de plaats. Daar werden nieuwe, goedkopere, leraren klaargestoomd voor de onderwijsvernieuwingen. Vakkennis werd niet langer als het belangrijkste onderdeel van het beroep gezien. De nadruk kwam te liggen op het onderwijsleerproces, waarbij het vooral ging om didactiek en pedagogiek.

Opvallend was dat de explosieve groei van het lerarentekort parallel liep aan onderwijsvernieuwingen die vanaf die tijd zijn ingevoerd. Met de Middenschool als voorloper, kregen we in de jaren negentig de Tweede Fase, het Studiehuis en in het begin van de twintigste eeuw het competentieleren. Al die vernieuwingen kenmerkten zich door het terugdringen van de leraar. De klassieke driehoek leraar-leerling-leerstof verdween. De leerling stond voortaan centraal.

 

Mbo

In 2007 klaagden vooral leerlingen in het mbo over de kwaliteit van het onderwijs. Zij eisten meer lessen en beter onderwijs. De Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) schreef met andere organisaties van scholieren een brandbrief aan de staatssecretaris ‘Wij willen leren, geef ons ook de kans.’

De overheid besloot tot een parlementair onderzoek waarbij alle verantwoordelijken voor de onderwijsvernieuwingen onder ede werden gehoord. De daadwerkelijke reikwijdte van dat parlementair onderzoek werd pijnlijk duidelijk toen de Commissie Dijsselbloem in 2008 met haar bevindingen kwam. Volgens die Commissie had de overheid haar onderwijstaak schromelijk verwaarloosd en het onderwijsveld diende voortaan bij onderwijshervormingen betrokken te worden.

Uitgerekend op dat moment werd in het mbo het competentieleren gewoon ingevoerd. De rode draad die door de competenties voor leraren liep, was duidelijk: ‘de leraar schept een onderwijsleerklimaat waarin de leerling zijn eigen onderwijsproces vorm en inhoud geeft’.

Door de fusiedwang werden mbo-scholen conglomeraten. De lumpsumfinanciering die daarop volgde vereiste een bedrijfsmatige aanpak waarin, zwart-wit gesteld, de leerlingen het geld binnenbrachten en de leraren de grote onkostenpost vormden. Daar kwam ook nog eens de outputfinanciering bovenop. Voor leerlingen die binnen een bepaalde tijd hun diploma haalden, kreeg de school een financiële bonus. Door de verzakelijking van het product leerling kwamen twee totaal verschillende cultuuropvattingen, profit en non-profit onder een dak, waarbij de managers de dienst gingen uitmaken. In die organisatie verwerd de leraar tot ‘een van de laagste dieren des velds’.

 

Leerpleinen

Is iemand die geen les meer geeft eigenlijk nog wel een leraar? De nieuwste loot aan de competentieboom is het gepersonaliseerd leren. Klassikale lessen hebben plaatsgemaakt voor zelfstandig leren. Leerlingen gaan op onderzoek uit via internet en hebben meer vrijheid in de manier waarop ze leren en in welk tempo. Op leerpleinen zitten ze met hun koptelefoon op achter de pc, de smartphone in de aanslag. Een blik op de schermen laat zien waar die leerlingen zich daadwerkelijk mee bezighouden. Volledige zelfstandigheid is voor deze doelgroep te hoog gegrepen.

En wat doet die nieuwe leraar? Het gepersonaliseerd leren heeft geleid tot depersonalisatie van het beroep leraar. De sfeer van het veilige klaslokaal is ingeruild voor een rumoerig leerplein waar alles is gedigitaliseerd. Zo hoeft de leraar Nederlands in het mbo geen lessen meer voor te bereiden en heeft hij nauwelijks correctiewerk. De nieuwe leraar Nederlands is een manusje-van-alles geworden. Hij begeleidt de leerprocessen, ‘geeft’ ook nog rekenen, loopbaan en burgerschap, mediawijsheid en duurzaamheid. De meeste tijd zit hij echter achter de pc waar hij een uitgebreide administratie voert. Voor de lumpsumfinanciering houdt hij zich bezig met de aanwezigheidsregistratie en voor de outputfinanciering moet hij eindeloze formulieren invullen die betrekking hebben op de validiteit van examens. Formulieren die ook nog eens getuigen van low trust.

 

Investeren

De door bezuiniging ingegeven onderwijsvernieuwingen hebben de afgelopen decennia niet alleen onherstelbare imagoschade toegebracht aan het lerarenberoep, maar ook nog eens 2,5 miljoen analfabeten van 16 jaar en ouder opgeleverd. Staken draagt niet bij aan een beter imago van dit uitgeklede beroep. Voor zijn voornamelijk administratieve functie wordt de leraar in het mbo goed betaald. Het is wenselijk dat de klassieke driehoek leraar-leerling-leerstof weer in evenwicht komt en dat de overheid fors investeert in het opleiden van leerkrachten met een uitstekende vakkennis. Door vakkennis wordt het beroep weer exclusief en krijgt het aanzien zoals in Finland en Duitsland. Deze leraren kunnen zich dan net als advocaten en chirurgen organiseren, hun vak en beroep bewaken en de instromingseisen bepalen. Zij zullen in Den Haag serieuzer worden genomen dan de stakende leraar. En het lerarentekort? Echte vakkennis verraadt passie en dat vertaalt zich in hartstocht voor de klas. Leerlingen die dat zien, willen wellicht ook leraar worden.

 

Ton Bastings is veertig jaar werkzaam als leraar Nederlands in het mbo. Hij promoveerde in 2018 in Nijmegen op het imago van de leraar.

Dit artikel verscheen ook in het Onderwijsblad

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4 Reacties

  1. Mooi verwoord en samengevat door Ton Bastings. Zijn ervaringen in het mbo mogen als voorbeeld dienen voor het gehe onderwijs. Ik ben alleen wel bang dat de oppervlakkig lezende beleidsmaker in de opmerking dat de docent voor zijn administratieve taak best aardig verdient, geen aansporing ziet om het docentschap meer inhoud te geven maar eerder een reden om de salarissen niet te verhogen. Alles moet beter: opleiding van docenten, autonomie, status en, ja, ook salaris.

  2. “De overheid kan beter investeren in het opleiden van leerkrachten met een uitstekende vakkennis dan in hogere salarissen”. Daar moet wel wat meer over gezegd worden. In de scholen zullen nog jarenlang de vakgecenterde leraren en de coach”leraren” binnen één organisatie en onder een al bestaande directie moeten samenwerken. De zittende leraren krijgen nog steeds het voor hen te hoge salaris. Wat gaan de nieuwe leraren verdienen die geacht worden beter te zijn? Of ga je, wat her mbo betreft, nieuwe scholen oprichten?
    De tweedegraads lerarenopleidingen kwamen niet voor de MO-B opleidingen in de plaats. Wel kwamen er HBO-eerstegraders zonder vwo-diploma.
    Als straks de coronacrisis voorbij is, zouden dan gemotiveerde vwo-leerlingen het recht kunnen krijgen afstandonderwijs te volgen? Ik ben ervan overtuigd dat sommige leerlingen zich veel efficiënter thuis op hun kamer de leerstof, die dan weer maatgevend zou moeten worden, eigen kunnen maken dan op een leerplein.

  3. Ik denk dat voor de meeste leerlingen het ouderwetse onderwijs van vóór de Mammouth-wet voor de overdracht van kennis en inzicht het hoogste rendement oplevert. Maar als men zelfstandig werken als uitgangspunt moet nemen zullen meer leerlingen dan anders baat hebben bij zelfstandig thuis studeren. Als voorbeeld geef ik de methode van de De Fernuniversität zu Hagen. Zij placht voor elk gekozen leervak om de veertien dagen een stukje syllabus met oefenopgaven naar haar studenten te sturen. Aan het einde van de twee weken moesten ze dan als afsluiting bijtijds (datum poststempel) de uitwerking van een aantal daarvoor uitgezochte opgaven opsturen. Aan het einde van een semester moest bovendien over de totale leerstof een Klausur geschreven worden. Bij deze methode is het voor een leerling niet meer aantrekkelijk om in de tijd die voor het leren bestemd is andere dingen te doen. Zodra hij immers klaar is en de uitwerkingen van inzendvragen opgestuurd zijn behoeft hij niet meer boven zijn computer te hangen om de schijn op te wekken dat hij aan het leren is. Vrijheid blijheid!

  4. Het ontmantelen van de MO-A opleidingen en het uitrollen van de nieuwe lerarenopleidingen was een voortzetting van de strijd om de middenschool met andere middelen. Ook het besluit om de onderbouw van het vwo een tweedegraadsbevoegdheidsgebied te maken is zo’n middel. Intelligente studiehoofden in de onderbouw die geschikt zijn om later naar de universiteit te gaan worden in het vwo afgeremd als ze les krijgen van leraren met weinig vakkennis en weinig algemene ontwikkeling. Ook mag het programma van de onderbouw vwo mag geen opstapje meer zijn naar eruditie en intelletuele vorming maar is misvormd om opstroming van op een lager niveau begonnen leerlingen te vergemakkelijken. Het is lofwaardig om leerlingen met een sociale achterstand extra te steunen maar verwerpelijk om, zoals dat ook op de middenschool gebeurd zou zijn dat te doen door leerlingen die van huis uit alles mee hebben of zeer intelligent zijn af te remmen.

Geef een reactie