Socratesbeker 2019 voor Ad Verbrugge, Jelle van Baardewijk en Govert Buijs

Het goede leven & de vrije markt

De Socratesbeker wordt jaarlijks toegekend aan een Nederlandstalig filosofieboek dat zowel oorspronkelijk, prikkelend als urgent is. Het goede leven & de vrije markt is een cultuurfilosofische analyse, in vierenhalf jaar geschreven door Ad Verbrugge, Govert Buijs en Jelle van de Baardewijk. (Bekijk hier het interview met Verbrugge over Het goede leven & de vrije markt in Voor de Ommekeer.) Ze zijn alle drie als (ethisch) filosoof werkzaam bij de opleidingen economie en bedrijfskunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Zij noemen het boek een kruisbestuiving tussen onderwijs en onderzoek. Op de eerste plaats is het boek bedoeld als examenkatern voor het vak filosofie op het vwo. Het boek wordt in 2020 de opvolger van het huidig examenkatern dat over scepticisme handelt. Maar daarnaast is het boek ook geschreven voor een breed  geïnteresseerd publiek dat zich bezighoudt met filosofische kwesties zoals: ‘Wat is vrijheid?’ en ‘Wat is het goede leven?’ Deze fundamentele vragen worden gekoppeld aan de actualiteit van de economie en de techniek. Dat maakt het boek uitermate geschikt voor bestuurders en beleidsmakers in de publieke profit- en non-profitsectoren. Voor hen is het boek een stevig houvast om zich te heroriënteren op wat de vrije markt werkelijk met ons leven doet. Gezien de aanbevelingen zijn die bestuurders ook een heel belangrijke doelgroep.

De centrale vraag van het boek luidt: Wat is het goede leven en brengt de vrije markt, als een kerndomein van onze samenleving ons daar dichterbij of voert ze ons er juist vandaan? En, als de vrije markt en het goede leven niet altijd samen opgaan, hoe kunnen we dan inzichten ontwikkelen die hen wel meer op één lijn brengen? Deze twee, overigens zeer moeilijke, vragen zijn in dit ‘schoolboek’ de enige opgaven.

Op de vraag wat het goede leven zou kunnen zijn, geeft het leeskatern met cultuurfilosofische teksten van Plato tot Martha Nussbaum een mogelijk antwoord. Maar wat is het goede leven van de homo economicus  in de hypermoderniteit van de 21ste eeuw? De homo economicus die wordt omschreven als het rationele en puur op eigenbelang gerichte individu dat zich wedijverend met anderen op de vrije markt manifesteert. Niet het individu zelf, maar de context waarin het zich beweegt bepaalt dat ‘goede leven’. Die context wordt beheerst door de vrije markt van de economie. Ben ik wel zo vrij door die vrije markt? De auteurs betogen dat kernwaarden zoals autonomie, individuele vrijheid en natuurbeheersing aan herijking toe zijn. Om beter grip te krijgen op deze complexe materie hebben de auteurs gekozen voor vijf essentiële voorwaarden voor het goede leven die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en als het ware zijn ingebed in elkaar, te weten Lichaam – Natuur – Relaties – Instituties en Zin. De voeling met de problematiek hebben de auteurs proberen te bereiken door voorbeelden uit films zoals The Circle  als vertrekpunt te nemen. Daar wordt immers collectieve verbeelding zichtbaar. Het eerste hoofdstuk, waarin heel kritisch wordt gekeken naar alle nadelen die kleven aan de aankoop van een spijkerbroek, sluit uitstekend aan bij de leefwereld van jongeren. In Trouw kwam men daarentegen met de kritiek dat het boek niet was geschreven in de taal van jongeren. De stijl zou ouderwets en saai  zijn en het had allemaal aanlokkelijker gekund. Nu valt over stijl te twisten, maar het is merkwaardig dat het allemaal weer leuk moet zijn. De voldoening die men ervaart als men na inspanning iets heeft bereikt, in dit geval grip krijgen op een moeilijke tekst, draagt zeker bij aan ‘het goede leven’. Met jip-en-janneketaal komen we hier echt niet verder.

De vrije markt manipuleert door het in campagnes oproepen van allerlei beelden die geraffineerd zijn uitgekiend door de allesoverheersende marketing-pr. Dat wordt bijvoorbeeld aangetoond door de macht van de belevenis- en evenementenindustrie. Iedereen moet daar aan deelnemen om erbij te horen en maakt dat vervolgens wereldkundig via Facebook. De hypermoderniteit leidt tot een grote psychische druk. Een druk die zichtbaar wordt door het hoge percentage van mensen met een burn-out en overvolle wachtlijsten bij psychiaters. Mensen moeten alles uit hun eenmalig leven halen. Je moet excellent zijn, je droom verwezenlijken en je bucketlist afwerken. YOLO: You only live once! En naast het consumeren moet je ook nog succesvol zijn, dus concurreren. Dat is niet bepaald het ideale klimaat voor de Aristotelische vriendschap, een kernbegrip in de definitie van het goede leven.

Wat dus schuurt in de vrije markt is de tegenstelling tussen het maatschappelijk belang – omdat je met elkaar verbonden bent – enerzijds, versus het eigen belang en de doorlopende behoeftebevrediging. De vrije markt – die volgens Marx en Adam Smith – de mensen los heeft gemaakt van feodale verbanden, heeft de moderne mens tot slaaf gemaakt van een eindeloze consumptiemaatschappij. Deze noodtoestand dwingt ons om na te denken en openbaart de behoefte aan filosofische beschouwing. De geschiedenis laat een ondergang en opgang zien van culturen. Een voorwaarde voor een opgang is een ondergang en het is aan de filosofie om als een soort geneesheer een diagnose te stellen van een kwetsbare wereld en een zieke maatschappij. Het goede leven & de vrije markt stuurt aan op empathie van leerlingen bij wat er werkelijk in de wereld gaande is en maakt zodoende van die leerlingen betrokken burgers die meedenken over mogelijke oplossingen. Hoogwaardige Bildung!

Een schoolboek dat zo kritisch is ten opzichte van de vrije markt komt natuurlijk ook met praktische aanbevelingen. Maar het terugdringen van het neoliberalisme in zorg en onderwijs lijkt schier onuitvoerbaar. De toekomstige generaties filosofen zullen met hun leraren iets anders moeten ‘bedenken’. Een nieuwe uitdaging voor ons onderwijs!

1 Reactie

  1. Dit artikel roept eerlijk gezegd bij mij verwarring op. Aan de ene kant is de vrije markt wel degelijk een zegen gebleken, aan de andere kant is hij (in het onderwijs) een vloek. Ik denk dat het mede van de tijdschaal afhangt of de vrije markt een vloek is of een zegen. Voor de voor het ‘goede leven’ zo noodzakelijke voedselproductie, bijvoorbeeld, functioneert de markt uitstekend. Iemand moet het graan van het land halen, het brood bakken, appels in het schap leggen. Dat zijn zorgen voor de korte termijn en de vrije markt kan hier prima mee omgaan. Maar in het onderwijs gaat het uit de aard der zaak om de (heel) lange termijn. We zien allemaal dat de markt hier niet de meest ‘voortreffelijke’ (à la Aristoteles) mensen op sleutelposities brengt. Een kliek van middelmatig geschoolde, inhoudelijk nauwelijks onderlegde managers heeft het onderwijs overgenomen. Omdat er geen echte ‘tucht van de markt’ is hebben deze managers de regels van de competitie naar hun hand weten te zetten. Het antwoord van de schrijvers is dat de markt hier om deze reden zou moeten wijken. Wat mij betreft is dit te radicaal en bovendien onuitvoerbaar. Ik stel daarom voor de concurrentie te handhaven maar de regels van het spel te veranderen ten gunste van inhoudelijk geschoolden. Als we nu eens, om te beginnen, voor het onderwijs het principe invoerden dat een ieder die leiding geeft op minstens gelijk niveau is opgeleid als degenen aan wie leiding gegeven wordt? Dat is in een patatfabriek natuurlijk onzin, maar in het onderwijs? Daar is het product immers geen patat maar ‘opleiding’?

Geef een reactie