Drie onderwijsitems in de VK naast elkaar.
Het ministerie zet in een advertentie docenten aan om middels studie hun vakkennis te verbreden en carrièreperspectief te vergroten. Er zijn 5.000 beurzen beschikbaar.
Vakkennis, let wel! Carrièreperspectief is het lokkertje. Want iedereen weet dat carrièreperspectief er niet inzit, tenzij de docent managementtaken op zich gaat nemen.
In ‘Meer geld leidt tot betere leraren’ worden vraagtekens gezet bij kleinere klassen.
Econoom Wim Groot zegt:”Kleinere klassen zijn leuk voor de vakbonden, maar niet voor de onderwijskwaliteit”. Kleinere klassen betekent meer leraren. Omdat goede leraren schaars zijn, betekent dat gemiddeld slechtere leraren en dus ook slechter onderwijs.
Daar ben ik het mee eens.
Vakbondsbestuurder Michiel Rog van de CNV maakt zoals de meeste vakbondsbestuurders een eigenaardige kronkelredenering en zegt:”Geef de leraar onderwijsassistenten, zodat hij beter kan functioneren in de klas. Alleen al het hebben van ondergeschikten zal zijn status verhogen”.
Komisch toch, hoe sommige mensen denken. En kwaadaardig ook.
En als derde item een sessie van Marokkaanse vaders, die het gebrek aan motivatie van hun kinderen niet begrijpen. Zij liepen als kind kilometers ver over bergpaden om naar school te gaan. Hun kinderen hebben hier in dit land alle mogelijkheden, maar velen doen er niets mee.
Als de leraar bij het uitleggen van het Nederlandse schoolsysteem oppert:”Niet elk kind kan naar de universiteit en dat is ook helemaal niet erg. Als ze maar gelukkig worden”, blijft het ijzig stil, totdat één van de Marokkaanse vaders opmerkt:”Gelukkig? Zo werkt dat bij Marokkanen niet. Naar de universiteit en dan een baan met een stropdas!”
Reacties zijn gesloten.

Bij iederéén hoor!
Laten we elkaar niet voor de gek houden. Iedereen wil het liefst dat zijn kind een baan met een stropdas verkrijgt; dat geldt niet alleen voor Marokkanen, maar voor iedereen. Wie van de geachte forumdeelnemers heeft een zoon of dochter die met zijn handen gaat werken in een beroep waar je smerig van wordt. Ik gok: niet één.
Alle praatjes dat je ook zo gelukkig kunt worden als loodgieter, metaalbewerker of zorghulp blijven wat ze zijn: praatjes! Iedereen heeft iets ‘hogers’ voor zijn kind voor ogen. Dit zijn de beroepen voor de ‘anderen’.
Dat is ook volkomen normaal, want dit zijn de beroepen waarmee je zo weinig verdient dat je er géén gezin van kunt onderhouden. Dit zijn de beroepen met bijzonder weinig maatschappelijke status en -last but not least- dit zijn de beroepen waar je ook nog vaak als oud vuil behandeld wordt door de heren met de stropdassen.
Natuurlijk hoor ik de reacties al: het gaat om ontplooiing en eruit halen wat erin zit en als je meer kunt moet je meer leren. Dat klopt ook, maar stel dat er wel genoeg capaciteiten bij iedereen waren om een witteboordenberoep aan te kunnen, dan liep de samenleving toch behoorlijk in het honderd. Hoog tijd voor een andere dan een verbale opwaardering van de minder intellectuele beroepen.
Foute gok
Excuseer me, maar wat je zegt is werkelijk onzin Hinke. Ik heb zowel kinderen die vuil werk doen als kinderen die studeren voor “stropdasfuncties”. Er is er zelfs eentje die een managementsopleiding doet .
Het idee dat ik met de ene loopbaan meer tevreden zou zijn dan met de andere is waanzin. Het komt niet bij me op, en als het opkomt, zoals nu, dan reageer ik er bijna allergisch op. Het lijkt eenzelfde idee als dat je tevredener zou zijn als je kind schoolbestuurder zou zijn dan leraar Nederlands. Ik denk zo niet, jij ook niet mag ik hopen en ik heb ook geen enkele reden aan te nemend dat de gemiddelde forumbezoeker er wel zo over zou denken.
Voor de basisschool.
De homogeniteit van een groep is ook belangrijk. Bij redelijk homogene groepen is een basisschoolklas van 30 geen groot probleem. Er zijn zelfs leuke kanten aan een groter ‘publiek’.
Zou men klassen van rond de twintig leerlingen voorstellen, maar daarbij grotere differentiatie eisen, koos ik voor de grotere maar meer homogene groepen.
Pas bij aantallen tot 15 leerlingen zou ik in staat zijn tegemoet te komen aan allerlei individuele ontwikkelingsmomenten.
Grote klassen of kleine klassen…
…ik merk het verschil niet behalve op havo en vmbo, omdat die kinderen moeilijk kunnen leren en weinig leergierig zijn.
Op atheneum maken grote klassen niet uit
“op havo en vmbo maakt de klassengrootte uit”
Havo en vmbo maken veruit het grootste deel uit van het middelbaar onderwijs, dus het lijkt me dan toch wel een factor van belang 😉
Ik vind dat je een wat
Ik vind dat je een wat vreemd beeld hebt van havo-leerlingen als je stelt dat die moeilijk kunnen leren en weinig leergierig zijn.
Ik heb op alle 3 de door jou genoemde niveaus les gehad en het verschil tussen havo en VWO was in mijn beleving toch niet echt groot.
Op de havo zaten er nog wat zwakkere leerlingen in de klas voor wie de mavo eigenlijk het plafond was maar er zaten minstens zoveel leerlingen in de klas die eigenlijk op het V.W.O. thuishoorden.
Het verschil in theoretisch niveau tussen de mavo en de havo was in mijn ogen heel wat groter dan dat tussen de havo en het VWO. Op het VWO werd op zich geen moeilijkere theorie behandeld. Het was gewoon wat meer stof van hetzelfde niveau waarbij de testvragen en examenvragen iets opener werden gesteld (minder tussenstappen via de vragenstelling).
Voor Engels heb ik zelfs niets bijgeleerd op het VWO. Voor Nederlands was enkel de poëzie-analyse nieuwe stof.
Los hiervan, wanneer je wel en niet goed kan leren is louter subjectief. Wanneer je op het VWO zit dan behoor je tot de slimmere leerlingen uit het voortgezet onderwijs (hoewel een exacte leerling op de havo best wel eens een hoger niveau zou kunnen hebben dan een niet-exacte leerling op het VWO), wanneer je vervolgens aan de universiteit gaat studeren ben je ineens een gewone leerling.
Of, wanneer je ook op de universiteit nog uitblinkt, dan ben je zogauw je gaat doctoreren ineens een gewone leerling.
Dat was voor mij overigens een vreemde ervaring op de universiteit: ineens kwam ik in contact met mensen die slimmer waren. Het is zo betrekkelijk.
Wel en niet goed kunnen leren is louter subjectief?
Citaat:”Wanneer je wel en niet goed kan leren is louter subjectief”.
Wat er staat is niet waar, dus bedoel je waarschijnlijk wat anders.
kleinere klassen = meer leraren nodig = slechtere leraren?
Geloof ik niets van. De grote klassen zijn een belangrijke reden voor getalenteerde mensen om niet voor het onderwijs te kiezen. Hoe vaak ik in mijn vriendenkring al niet heb moeten horen: “lijkt me een mooie baan, maar ik moet er niet aan denken, dertig pubers in de hand houden”. Tevens hebben meerdere oud-studiegenoten die lesgeven wel leuk vinden maar niet het reguliere onderwijs in willen een baan in de volwasseneneducatie, bij een Volksuniversiteit, bij een particuliere school met kleine groepjes en geven bijles.
Lesgeven is leuk, lijkt de algemene tendens, maar niet aan groepen van dertig.
Ik denk dat kleinere klassen kunnen zorgen voor een grotere aantrekkelijkheid van ons beroep, en dus voor meer sollicitanten waaruit de beste kan worden gekozen. Al zal er wellicht meer nodig zijn (een salaris dat ook kostwinners aantrekt) dan enkel een klassengrootte van 25 in plaats van 30 om het beroep aantrekkelijker te maken.
(Voordat iemand overigens denkt: “classici hebben toch per definitie kleine groepen?”: dat geldt niet op de stedelijke gymnasia, en op mijn scholengemeenschap telt gym 1 momenteel 29 leerlingen, gym 2 31, gym 3 32. Bovenbouw Grieks is naturellement klein, maar Latijn hangt momenteel in alle leerjaren net onder de 30. Het beeld wordt bepaald door de bovenbouwgroepen Grieks waar collega’s me mee zien zitten in een voor zo’n groepje veel te ruim lokaal.)