Veertig procent van de Nederlandse beroepsbevolking heeft een diploma op mbo-niveau. Het middelbaar beroepsonderwijs leidt op dit moment bijna een half miljoen studenten op voor een plaats op de arbeidsmarkt, 75 procent op de hoogste twee niveaus (niveau 3 en 4), 20 procent op niveau 2 en 5 procent op niveau 1.
Uw en onze insteek is dat deze jongeren onderwijs moeten krijgen dat het beste uit hun talenten haalt en hen goed toerust voor het functioneren in beroep én samenleving. Het mbo ziet het als zijn opdracht onderwijs aan te bieden dat aansluit bij de behoeften van de studenten en van de bedrijven waarvoor wordt opgeleid. En daar gebeurt nogal wat: zowel de wereld van de jongeren als van de arbeidsmarkt is continu in beweging, en die bewegingen kunnen we niet negeren.
In uw en onze schooltijd was school frontaal onderwijs waarin iedereen op hetzelfde moment dezelfde lesstof tot zich nam. Een manier van lesgeven die paste bij de homogene groep scholieren van die tijd en bij de middelen van die tijd.
De jongeren van nu zijn een geheel andere groep, ook wel omschreven als de Generatie Einstein. Einstein staat daarbij voor slim, snel en sociaal, voor een andere manier van informatie verwerken die creatief is en dwars door disciplines gaat. Deze jongeren lezen nieuws als journalisten, kijken films als regisseurs en kijken naar reclame als reclamemakers. Deze jongeren leren ook anders dan wij dat deden. Dat heeft uiteraard te maken met de middelen, niet alleen het mobieltje maar ook mobiliteit, die ze tot hun beschikking hebben. Maar dat niet alleen. De jongere van nu ontwikkelt zijn kennis niet lineair zoals u en ik dat deden, maar ze leren via een netwerk van associaties. Ze bouwen hun kennis niet op van deel naar geheel, maar brengen zelf structuur aan in grote hoeveelheden informatie en grotere concepten. Internet bijvoorbeeld geeft jongeren de mogelijkheid om de wereld te verkennen op basis van eigen interesses en voorkeuren. Op allerlei gebied nemen ze kennis van opinies en ervaringen, waar ze zich vervolgens al dan niet mee identificeren.
Bij deze jongeren hoef je niet aan te komen met elk jaar hetzelfde verhaal afdraaien en iedereen hetzelfde kunstje leren. Of een boek bij A beginnen en bij Z dichtslaan. Dat sluit op geen enkele manier aan op het lerend vermogen van deze jongeren. Dat zal niet boeien en zal dus niet beklijven. Deze jongeren weten ongelooflijk goed waar ze hun informatie vandaan kunnen halen. Vroeger was de school de dominante bron van kennis en informatieoverdracht, nu is het nog maar één van de vele.
Het klassikale onderwijs met eenrichtingsverkeer is dus aan het einde van zijn levenscyclus. Het onderwijs moet zich daarom aan de veranderende omstandigheden aanpassen om die nieuwe generatie te kunnen blijven boeien en binden. Dat betekent veel meer verschillende didactische werkvormen en uitgaan van diversiteit en individualiteit van de onderwijsdeelnemer.
Dat betekent niet dat het onderwijs vrijheid – blijheid is, of geen aandacht meer besteedt of zou moeten besteden aan kennis en vaardigheden. Het mbo heeft een functie voor arbeidsmarkt en samenleving en moet tegemoetkomen aan de eisen die op beide terreinen gesteld worden. Die eisen veranderen en worden zwaarder. Economische, sociale en culturele ontwikkelingen gaan niet aan het onderwijs voorbij. Werkgevers verwachten een evenwichtige balans tussen kennis, kunde en persoonlijke kwaliteiten. Naast de onmisbare vaktechnische eisen die het beroepsonderwijs kenmerken gaat het ook om competenties als goed kunnen samenwerken, communicatief vaardig zijn, klantgericht zijn of in staat zijn problemen op te lossen. En om algemene kennis: Nederlands, moderne vreemde talen en rekenen/wiskunde. Met deze mix van kennis, vaardigheden en houdingen, waarvoor wij het woord competenties gebruiken, verwachten wij dat gediplomeerden in staat zullen zijn zich staande te houden op de arbeidsmarkt en mee te bewegen met de ontwikkelingen die daar continu aan de orde zijn.
In het mbo worden de eisen waaraan voldaan moet worden in de opleiding om het felbegeerde diploma te kunnen ontvangen vastgesteld door de Kenniscentra Beroepsonderwijs Bedrijfsleven, waarin sociale partners in de diverse sectoren samenwerken met het mbo. Het vernieuwingsproces is in eerste instantie vooral op aangeven van het bedrijfsleven tot stand gekomen, en is dus geen modieus nieuw leren, maar een noodzakelijke aanpassing aan veranderende omstandigheden, zowel op de arbeidsmarkt als onder de onderwijsdeelnemers zelf.
De balans tussen kennis, vaardigheden/vakbekwaamheid en competenties wordt vastgelegd in nieuwe kwalificatieprofielen die op dit moment ontwikkeld worden. De grotere diversiteit aan deelnemers vraagt van scholen ook veel meer flexibiliteit in het aanbod. Daar is nog een slag te maken. Daarbij moeten scholen in hun onderwijs de juiste balans vinden tussen structuur en vrijheid, tussen het aanbieden van begeleiding en het zichzelf verantwoordelijk laten voelen van de leerling voor het leerproces. Goed competentiegericht onderwijs vraagt meer, niet minder. De professionaliteit van de docenten is daarbij de belangrijkste succesfactor en het mobiliseren daarvan is de komende tijd een van de belangrijkste investeringen die de mbo-instellingen moeten plegen.
Ook onderwijsinstellingen zijn arbeidsorganisaties. Net als bij bedrijven gaat het er niet alleen om dat medewerkers hun vak verstaan, maar ook – of zelfs vooral – dat zij over competenties beschikken die passen bij en een aanvulling vormen op de competenties van het team waarin deze medewerkers aan de slag gaan. Sociale innovatie en competentiemanagement zijn niet alleen de inzet binnen bedrijven maar gelden evenzeer binnen scholen: de docent of de werknemer als resultaatgerichte professional die met inzet van zijn talenten samen met anderen bijdraagt aan de doelen waarvoor men staat. Dat interne veranderingsproces gaat niet vanzelf. Daar moeten we met z’n allen aan werken. De mbo-werkgevers pakken die handschoen op en nodigen al hun medewerkers uit aan dit proces bij te dragen.

tekstanalyse(1)
van Dale: BEHOEFTE: bewust gemis van iets dat niet of zeer bezwaarlijk ontbeerd kan worden; verlangen daarnaar; veel nodig hebben; iets waar je niet buiten kunt;; gebrek aan het nodige;; armoede nooddruft;; datgene wat men nodig heeft. Het gebruik van dit woord is een misser althans waar zij over de behoeften van de “studenten” spreekt en waarschijnlijk is hier de laatste betekenis bedoeld. Zijn het “behoeftige studenten”? Waarom gebruikt de schrijfster hier een woord met zo veel betekenissen? Om een aanval op haar verhaal te bemoeilijken? Ik denk het wel.
tekstanalyse en
tekstanalyse en commentaar
Einstein was een Einzelgänger; de meeste MBO-ers zijn kuddedieren die hun eigen herder mogen uitzoeken en die vinden ze niet op school.
Als jongeren reclame zouden bekijken zoals een reclamemaker dat doet zouden zij er niet zo bevattelijk voor zijn.
Als het goed is draait een leraar elk jaar zijn verhaal af voor jongeren die dat nog niet eerder gehoord hebben. Waarom zou dat de jongere tegenstaan? En als je wiskunde wilt gebruiken zul je toch echt allemaal dezelfde kunstjes moeten leren om door aequivalentieomvormingen de oplossingsverzameling van een stelsel vergelijking te vinden. Zouden sommige jongeren die kennis van het internet afplukken? Of bellen ze mobiel een vriendje op om daar nu eens een lekkere boom over op te zetten?
Als het op de lagers school al een chaos was waar je je niet kon concentreren hoor je inderdaad tot de jongeren die niet gewend zijn om te luisteren (hören en entendre lijken me hier goede woorden). Helaas is daardoor een generatie ontstaan die alle respect voor het schoolse leren verloren heeft. Oorzaak en gevolg zijn omgedraaid.
Het vernieuwingsproces = het nieuwe leren ? Is dat geen fout taalgebruik? Het bedrijfsleven zal zeker niet om onderwijsvernieuwing gevraagd hebben met de gedachte dat grotere sociale vaardigheden zouden moeten leiden tot afkalving van andere vaardigheden en het daarvoor benodigde basisweten. Waarschijnlijk heeft het zich helemaal niet uitgesproken over de wijze waarop het onderwijs de leerlingen aan zijn nieuwe wensen zou moeten aanpassen.
re tekstanalyse en
Een bewonderenswaardige analyse!
Willem Smit
column Margo Vliegenthart in Vakwerk
> Een manier van lesgeven die paste bij de homogene groep scholieren van die tijd en bij de middelen van die tijd.
Waar komt toch die verafgoding van de huidige jeugd vandaan. ALsof er vroeger wél een homogene groep jongeren bestond!
En waarom weten toch steeds diverse mensen zo goed HOE HET MOET, terwijl ze uit die ‘slechte’ tijd afkomstig zijn en totaal verkeerd onderwijs hebben genoten. Hoe is het dan mogelijk dat ze over zoveel kunde en inzichten beschikken. Het is een wonder dat ze nog zo ver zijn gekomen.
Die jongeren van vandaag, dat is juist een uiterst HETEROGENE groep.
En een belangrijk deel ervan is op Internet niet vlugger dan bedreven volwassenen. Ze typen vaak geheel gemankeerd en ergonomisch onjuist.
> Ze lezen als journalisten < Een blad als DAG, dat zojuist is verschenen en vooral op deze jonge generatie mikt heeft het, na grondig martkonderzoek, beter in de gaten: ze passen meer beelden toe dan een andere krant, want de jongeren van nu kunnen niet meer zoveel lezen. En ze begrijpen het niet goed. Hun woordenschat is kleiner. En ze schrijven 'je kan' i.p.v. je kunt. Dat kannen oudere lezers, die meer hebben geleerd, niet accepteren.
Einstein jongeren en taalbeheersing/leesvaardigheid.
Klopt, lezen is te vermoeiend voor de jongere generatie (grosso modo gesproken dan, ik ken gelukkig nog vele uitzonderingen), want het vereist concentratie.
Zat deze week in de metro, naast enkele studentes mbo of hbo recht (op te maken uit luidruchtig gesprek). Ze beklaagden zich over onrechtvaardige beoordelingen van docenten, en over de herexamens die ze nog moesten doen. Nou, die boeken, nee, die gingen ze echt niet lezen, hoor. Zo veel tekst (daar hebben je ouders dan voor betaald, denk ik als ouder, maar dat kan aan mij liggen).
Ik weet van universitair opgeleide juristen dat ze weinig goede woorden over hebben voor hbo-juristen. Die kunnen van alles een beetje misschien, maar eigenlijk niets. Ja, hoe je een dossier opbouwt, dat leren ze. Maar verder?
Bij mijn kinderen die in 5VWO zitten, gluur ik wel eens mee op het beeldscherm en ontdek dan fouten, spelfouten, maar ook redeneerfouten. Als het ene beweerd wordt, volgt daar niet automatisch het andere uit. En omgekeerd. En dan te bedenken dat ze aan de NL kampioenschappen debatteren meedoen, waar strenge eisen gesteld worden aan het opbouwen van argumenten in een betoog.
Het is bijna besmettelijk, hoe meer taal- en spelfouten je ziet en hoort, hoe gemakkelijker je het zelf ook bijna overneemt.
Maar het blad “DAG” wordt zelfs uitgedeeld voor de Vrije Universiteit. Het doet me genoegen te zien dat studenten toch vaak weigeren het aan te pakken.
Creatief?
Van Einstein’s theoriën en zijn manier van informatie verwerken snapt Margot waarschijnlijk zeer weinig en van zijn creativiteit niets.
Maar wat moet ik me in hemelsnaam voorstellen bij die ‘creativiteit die dwars door disciplines’ gaat?
Wordt dat zoiets als de vroegere contra-prestatie voor beeldende kunstenaars?
Goedbedoeld geknutsel en gemacramé dat je aan de straatstenen niet kwijt kunt?
disaster
van dale/NL levert geen omschrijving van het woord disaster ; de oxford dictionary/UK wel, maar een meer letterlijke ;
wikipedia onderscheidt tussen ‘natural’en ‘human made’ disasters ; cit.:
“A disaster (from Middle French désastre, from Old Italian disastro, from the Greek pejorative prefix dis- bad + aster star) is the impact of a natural or human-made hazard that negatively affects society or environment. The word disaster’s root is from astrology: this implies that when the stars are in a bad position a bad event will happen.”
WUR/wageningen university etcetera heeft een leerstoel in disaster studies ;
maarten sev
Vliegende Harten
Kan iemand mij bijlichten? Wikipedia suggereert dat deze auteur Anne Margot (Margo) Vliegenthart is, geboren 1958. Daarnaast hebben we een staatsecretaris Janneke Marlene (Marja) van Bijsterveldt-Vliegenthart (wiki), geboren 1961. Ik vond het altijd al verwarrend, een Margo en een Marja. Maar zijn deze twee eigenlijk familie van elkaar?
Dat zou ik ook graag willen weten
Ik vermoed echter dat als het zo zou zijn, de journalisten dit allang hadden benut. Leuk dubbelinterview, bijvoorbeeld. De zusjes Vliegenthart over onderwijs …
.
.
Generatie Einstein
Nu volgens Hans Pols in Kleio:
“En dan de veranderde leerlingen die zo veel kwaliteiten zouden hebben, maar vooral ook niet meer stil kunnen zitten. Laatst kwamen ze als de generatie-Einstein in het nieuws. Dat is toch vooral het oude verhaal van eigenwijze pubers met weinig discipline. Het probleem is dat wij (samenleving, onderwijs en ouders) geen rust, regelmaat en reinheid meer kunnen en willen geven. Dan is het niet verwonderlijk als ze ongeconcentreerd zijn en zitten te stuiteren in de klas. Van hun vermeende vaardigheid in ‘alles tegelijk kunnen’ is weinig te merken behalve dan dat ze gamen, bellen, sms’en en msn’en tijdens het huiswerk maken, met als enig gevolg dat de schoolresultaten eronder lijden. Je moet je dus ook afvragen, wat ‘onderwijs dat relevant voor de leerlingen moet zijn en bij hun vragen moet aansluiten’ in deze context betekent. We herhalen het generatie na generatie: Niet voor de school maar voor het leven leren wij. Maar, ik geef het toe, het is al die eeuwen toch vooral een schoon streven geweest. En ik vrees dat dat voorlopig ook wel zo zal blijven.
Een van de zaken die het ons in het ’traditionele’ onderwijs extra moeilijk maakt om de kloof tussen de wereld van de school en die van de leerling te dichten, is de afnemende motivatie en concentratie bij de leerlingen. De populaire cultuur is steeds dominanter geworden in het leven van de scholieren en de schoolcultuur komt steeds meer in de verdrukking.”
Bedankt …
… voor deze tip!
Ik ken de site wel, maar heeft helaas geen RSS-feed waardoor ik maar zo af en toe de site bezoek.
Kleio was ik ook nog niet aan toegekomen 🙁
Leerlingen van nieuwe scholen scoren even hoog op kennistoets
en daarom zijn de docenten dik tevreden over het nieuwe systeem.
Stel je hebt een auto-handel. Komt een adviseur van de bank bij je, die zegt dat je een lening van 7 ton moet afsluiten om je zaak te verbouwen. Je doet het. Na de verbouwing zegt de adviseur dat het allemaal goed heeft uitgepakt, want je omzet is keurig op peil gebleven in vergelijking met de auto-handelaren die niet hebben verbouwd.
Zeg, en dan ben ik niet eens erg goed in economie… volgens mij klopt hier iets niet.
En wat ik ook heel goed begrijp, is dat de kosten voor die verbouwing ergens op verhaald zijn. Ik wil niet weten op wie of wat…
Net even anders natuurlijk
Er wordt verbouwd, maar dat levert al op heel korte termijn geld op natuurlijk. Weg met de “dure” leraren, en de meisjes van de suikerwerkfabriek komen er in. Scheelt een berg in de kosten en als je de juiste meisjes kiest ziet het er allemaal leuk, lief en fris uit natuurlijk. Kunnen we allemaal naar elkaar kijken in die open domeinen. Hier en daar een workshop standje, gelardeerd met een standje van een uitzendbureau (bemand door meisjes van de suikerwerkfabriek die stage lopen), de Red Bull stand met toffe posters van toffe autos (en mooie meisjes en jongens van de suikerwerkfabriek die er stage lopen) en natuurlijk de fix-me-up-beauty-booth waar je even snel een schoonheidskuurtje kunt krijgen (verzorgd door de meisjes van de suikerwerkfabriek, die er stage lopen). Of was fix-me up nou een dating site? Nou ja, kan ook. Allemaal fris en leuk. Een hele hal vol. En de deelnemers lopen er tussendoor te darren.
Het begint allemaal verrasend veel op een moderne stationshal te lijken (waar binnenkort geen treinen meer zijn natuurlijk, want dat levert enkel veriies op)