Ik werd getroffen door een uitspraak van Petra Stienen in de VK van afgelopen zaterdag. Stienen studeerde Arabische taal in Leiden en werkte onder andere voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken en als diplomaat in Caïro en Damascus. In de VK staat een interview met haar onder de kop ‘Veel Egyptenaren zijn net zoals ik’.
Ik citeer:’De Arabische wereld is ook allerminst een culturele woestijn (…). In Caïro ben ik ooit naar een avond met de dichter Mahmoud Darwish geweest. Hij heeft ook opgetreden in een voetbalstadion met 50 duizend toeschouwers, die ook nog eens alle gedichten uit hun hoofd kenden. Probeer je dat in Nederland maar eens voor te stellen’. (Einde citaat.)
Ik dacht meteen aan de herdenking van André Hazes, maar verder kwam ik niet.
Een stadion met Guido Gezelle, Bloem of Ida Gerhardt en dan ook nog al hun gedichten kennen, ik kan mij dat niet voorstellen. Nu ben ik een speciaal geval, want ik ken geen enkel gedicht uit mijn hoofd. Ik ben daar niet voor in de wieg gelegd. Alleen misschien de beginstrofen van de Odyssee in het Grieks, maar die zijn er dan ook ingestampt. En de liedjes van The Beatles natuurlijk, maar die kent iedereen.
Gedichten worden überhaupt niet meer gelezen. Dichtbundels in een grotere oplage dan vijfhonderd zijn een uitzondering. Ik vroeg mij af hoe dat toch kwam. Totdat ik een boekje van Annie Smidt tegenkwam. We hadden dat ding ooit cadeau gekregen, maar mijn kroost vond er niets aan. Ikzelf trouwens ook niet.
Ik las nog eens een paar zinnen, maar werd er niet gelukkig van. Niet zozeer vanwege de inhoud, alswel vanwege de taal. Jip en Janneketaal.
Annie M.G. heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de infantilisering van de Nederlandse taal.
Reacties zijn gesloten.

Jip en Janneketaal
Er zijn tientallen hedendaagse dichters wier werk beslist de moeite waard is. Daarnaast is er de omvangrijke poëtische erfenis uit het verleden die ook niet mis is. Vondel, Hooft, Gorter, Roland Holst, Lucebert en noem maar op. Er is maar één man in Nederland die dat allemaal heeft gelezen en die man heet Gerrit Komrij. En die ook nog de schoonheid van die gedichten didaktisch heel goed kan toelichten (“In liefde bloeyende”en “Trouw moet blijken”, Bert Baker, 1998, 2001, nu geloof ik samengebracht in één nieuwe uitgave)
.Tegenover al die dichtkunst staat een relatief klein publiek dat zich in zijn hovaardigheid op de borst kan kloppen met de woorden van Du Perron:
“De poëzie blijft naakt en ongekromd/ een tijdverdrijf voor enkele fijne luiden”.
Dat zal altijd wel zo blijven (dat “fijne luiden” laat ik voor rekening van Du Perron) maar “dat poëzie ùberhaupt niet meer gelezen wordt”,zoals jij zegt, bestrijd ik. Ook vind ik dat je Annie M.G. onrecht aandoet. Het begrip Jip en Janneketaal komt niet van haar en ik betwijfel of ze er gelukkig mee geweest zou zijn.
Onrecht…?
Het ligt er maar aan welke criteria je stelt.
Het ‘kind centraal’ in de media en politiek moet trouwens zijn ‘het onderwijs centraal’, ………… maar dat is een andere discussie.
Zeur niet
Jammer dat je de discussie altijd uit de weg gaat Hals. Als de poëzie als onderdeel van de literatuur “dood” zou zijn (“want wordt niet meer gelezen”, volgens jou)); wat betekent dit dan bij voorbeeld voor het literatuuronderwijs ? Het argument “het is maar net hoe je het bekijkt” is wel erg mager. Komrij biedt naar mijn mening in de door mij genoemde bundels poëziebesprekingen interessant materiaal voor docenten Nederlands, zeker voor diegenen die uit zichzelf niet zo snel ertoe komen gedichten te lezen. Daar zou je iets mee kunnen doen. Maar daar moet dan wel de overtuiging aan vooraf gaan dat literatuur en dus ook poëzie in het voortgezet onderwijs een duidelijk profiel en plaats in het curriculum verdienen. Zo niet dan schaar je je in het kamp van diegenen die beweren dat literatuur alleen iets voor oude mensen is en niet meer van deze tijd. Ook een standpunt. Ik heb het idee dat deze discussie in BON, met zijn overwicht aan mensen uit de prachtige exacte wetenschappen, niet erg leeft ondanks een bevlogen bijdrage van Ruzbitsa Filchbeva in het nummer van Vakwerk van december 2009. Maar misschien vergis ik me.
Als de discussie beperkt blijft tot wat losse kreten en verwijten richting Annie M.G. zeg ik met haar:
Ransel je kind,
Knijp je parkietje,
Zeg tot de generaal
“u bent een mietje”
maar zeur niet.
Komrij en niet alleen Komrij….
…verfoeit literatuuronderwijs in de klas, zoals verplicht boeken lezen en verkrachting van fraaie poëzie door uitleggerige leraren.
Ik ben niet van die school en denk dat een goede leraar soms wel nieuwe vergezichten kan openen, maar niet met die flauwe rijmelarij zoals boven.
Mijn punt is dat de creativiteit van Annie in het theater wel goed scoort, maar dat haar pennevruchten de Nederlandse taal weinig goed hebben gedaan.
Ik ben namelijk wél van de school dat kinderen niet zo kinderachtig behandeld moeten worden en dus ook niet lastig gevallen moeten worden met al die flauwe en smakeloze verzinsels waar de winkels vol mee liggen, zoals de boeken van Annie M.G.Smidt.
BS
Het lijkt wel alsof je zegt dat kinderboeken eigenlijk onzin zijn; meteen die kleuters bombarderen met hoogstaande literatuur, dat zal ze leren!
Mijn ouders zagen het anders: Veel voorlezen, en progressie van eenvoudig naar steeds meer uitdagend leesvoer. Ergens helmaal aan het begin van dat traject zaten Paultje met het Paarse Krijtje, de Leidse Sleuteltjes met Dikkertje Dap en de Spin Sebastiaan. Die boeken en platen werden toen in de winkel gekocht en nu nog (OK, en internet). Dat neem je AMGS kwalijk? Ik kan daar geen touw aan vastknopen.
Aan mij niet besteed…..
Eens was het kind een kleine volwassene…..
vervolg (moet hieronder):
Kinderen groeien op in een wereld die vol is van lopende en pratende mensen.
Daardoor leren zij a.h.w. vanzelf lopen en praten: vanwege die onderdompeling.
Het onderwijs biedt een paar eilandjes aan: ongeveer 6 uur in een hele week, die onder het hoofdstuk ‘Nederlandse Taal’ staan.
Vernieuwers wilden dat we op die eilandjes eveneens gingen praten. En dat heb ik steeds een zeer vreemde aanbeveling gevonden.
Die schaarse eilandjes dienen er m.i. voor om aan te leren wat moeilijk is, en niet wat makkelijk is.
Makkelijk is het mondelinge taalgebruik (ik sta steeds versteld van de onderlinge communicatie van b.v. 7-jarigen).
Moeilijk is het schriftelijke taalgebruik.
Het onderwijs moet zich, in die schaarse tijd, dus richten op het moeilijke: het schriftelijk taalgebruik. DAT is de functie van de school.
Daarom zou elke taalles in de basisschool zich helemaal moeten richten op de eisen van het schriftelijk taalgebruik: het moeilijke!
Vernieuwers hebben deze vanzelfsprekendheid van ooit, volledig omgeturnd.
‘Als het kind maar begrepen werd’, en ‘als het kind zich maar kan uitdrukken’, DAT werden de uitgangspunten.
De eisen van de schriftelijke cultuur werden daarmee voor een belangrijk deel overboord gezet.
Terwijl die moeilijke cultuur bij uitstek betekent dat juist daar de school zijn belangrijkste opdracht kan vervullen.
De school is er juist voor het moeilijke en niet voor de zaken die vanzelf wel gaan.
De mondelinge cultuur gaat min of meer vanzelf, vanwege die 24/7 onderdompeling in de mondelinge wereld.
Als de basisschool alle nadruk gaat leggen op de schriftelijke cultuur van de Nederlandse Taal, zal dat tevens goede invloed hebben op de mondelinge cultuur.
Dat de mondelinge cultuur vanzelf gaat zorgen voor een correcte schriftelijke cultuur, dat is nooit gebleken.
Analfabeten kunnen b.v. uitstekend hun mondje roeren.
We moeten dus af van die nadruk die de vernieuwers legden op het ‘mondeling uiten van de eigen emoties’.
het kind werd ge-infantiliseerd
Lea Dasberg schreef hier ooit een boek over, en ik las het met grote instemming.
Ik heb minstens 25 jaar kinderen in alle rust kunnen observeren, en kan de conclusies van Dasberg delen.
Het kind werd verkinderlijkt.
Terwijl je bij kinderen precies dezelfde gedragingen kunt zien die volwassenen vertonen; de schaal is alleen wat kleiner.
Zo herinner ik mij hoe ik, op 5-jarige leerftijd, al helemaal in de ban was van een meisje met dezelfde leeftijd.
Ik herinner mij ook een kleuter die helemaal in de ban, keek naar de meisje van 4, en haar vroeg: ben je ook verliefd op mij?
Ik geloof werkelijk dat men in het kind alle volwassen gedrag al kan zien. Maar uiteraard op een onrijper niveau.
Zelf heb ik eens de leerlingen van groep 4 een moeilijke canon aan kunnen leren, hoewel ‘deskundigen’ vertelden dat kinderen op deze leeftijd nog niet ‘rijp’ zijn voor meerstemmige canons.
Toch slaagde de klas in deze moeilijke oefening, na veel repetitietijd.
Kinderen kunnen meer dan wordt gedacht.
Niet alle stof is direct ´eigen´ aan het kind. Maar ze kan zeker worden aangeleerd. De ontdekking van het ´eigene´ blijkt dan later wel te komen.
Maar dat beschouw ik als de zwakte van de vernieuwing:
(vervolg)
Literatuur
Het is tijd voor een bekentenis: ik hecht niet zo heel veel waarde aan poëzie en ook literatuur is voor mij persoonlijk van relatieve waarde.
Ik vind lezen en woordenschat wél enorm belangrijk en houd zelf ook veel van lezen, waarbij het mij eerder om het verhaal gaat, dan om de schoonheid van de gebruikte taal.
Ik heb Nederlands gestudeerd (MO-A) en haalde erg hoge cijfers voor zowel literatuurgeschiedenis als poëzie. Daar kan het dus niet aan liggen.
Ik werk op het MBO en daar gaat het vooral om functioneel taalonderwijs. Zo lang het lezen als techniek al zoveel belemmeringen oplevert, lijkt het me nauwelijks opportuun om aandacht te besteden aan literatuur.
Naar mijn idee is het wel de taak van het Voortgezet Onderwijs om literatuur aan te bieden als onderdeel van algemene ontwikkeling. Het is mooi als Vondel niet gezien wordt als een natuurkundige, Hella Haasse niet als de eerste vrouwelijke minister en Harry Mulisch niet als PVV-kamerlid. Het is altijd mooi als er jongeren zijn voor wie hier een deur opengaat naar liefde voor literatuur; een doel hoeft dat wat mij betreft niet direct te zijn. In het algemeen lijkt me dat het VO er is om vergezichten te openen: kennis te maken met de veel mogelijk waardevolle zaken die er in de wereld te koop zijn.
Vrije expressie en persoonlijke levensruimte…
We danken in deze natuurlijk veel aan de opkomst van de vrije expressie in de jaren zestig: lekker kladderen met verf, de acteur is zijn eigen toneelschrijver (Gooise vrouwen en veel geschreeuw), ‘ik rotzooi maar wat aan’ van Karel Appel, vrije opvoeding (vandaag nog in de krant) en vanzelfsprekend ook ‘het kind centraal’ (ook vandaag in de krant).
Daarvóór leerde je foutloos spellen en goede brieven schrijven.
Let U eens op het kinderlijk taalgebruik op de dagelijkse TV en hier en daar ook op de ondertiteling.