Bevrijdt Eleanora uit de koker

In de discussie over onderwijs begrijp ik bepaalde begrippen niet. Zo liep ik vaak tegen het begrip gelijkwaardigheid op. Eerst dacht ik aan huizen. Een hutje midden in een groot bos leek mij meerwaardig dan een villa aan een drukke weg. Maar een mens is natuurlijk heel wat anders. Toen kwam een uispraak van Eleanore Roosevelt in mijn hoofd op “Les grands esprits discutent des idées ; les esprits moyens discutent des événements ; les petits esprits discutent des gens.” Het leek mij nog steeds onzin. Maar misschien is de esprit slechts een onbeduidende abstractie. Bekommernis met zijn medemensen is misschien een veel belangrijker menselijke qualiteit? Ik scoorde daar blijkbaar slecht in want, hoewel ik geen vlieg kwaad deed werd ik asociaal genoemd. Oef, dan ben ik blijkbaar inferieur maar dan snap ik niet hoe ik ook nog gelijkwaardig kan zijn. Ik krijg geen grip op het woord gelijkwaardigheid. Wie helpt?

Beter gaat het met het in de onderwijsdiscussies frequent opduikende begrip gelijke kansen. Misschien bedoelen mensen met gelijkwaardigheid dat ze iedereem met de de qualificatie mens als kind gelijke kansen in het omderwijs moet krijgen. Ook kan men sedert de Franse revolutie denken aan gelijk in rechten maar bij gelijk aan onderwijsrechten zit er toch een addertje in het gras. Want nu komt bij mij een ander citaat van mijn idool Eleanora in mijn hoofd op: “A la naissance d’un enfant, si sa mère demandait à sa bonne fée de le doter du cadeau le plus utile pour lui, ce cadeau serait la curiosité.” Het onderwijs moet tegenwoordig gebaseerd zijn op het opwekken van nieuwsgierigheid en als Eleanora gelijk heeft is dat hazardous. Niet alle kinderen zijn immers bij hun geboortr begiftigd met nieuwsgierigheid. En ook niet met de intelligentie om die nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen. Zijn de onderwijshervormers met het verwezenlijken van hun ideaal van gelijke knsen niet überfordert? Staatssecretarei Sanders en zijn bovenknie Bussemakers alsmede heel hun côterie van “idealistische” onderwijspolitici, hervorminggezinde didaktikologen en geldhamsterende schoolbesturen kijken allemaal door één koker naar het aspect gelijke kansen in het onderwijs en weten dat het al vanaf kun geboorte voor de meeste leerlingen de kans om hoogleraar te worden nul is. Ze hebben het dan daarom vaak over twee leerlingen van ongelijke komaf die iets, ik zal het maar onderwijspotentie noemen, in gelijke mate hebben waarbij de leerling met de lage komaf wel en de ander niet naar een te laag niveau afstroomt. Opvallend is dat die gelijke potentie niet verder beschreven wordt. Zijn de leerlingen even intelligent maar heeft de leerling van lage komaf een achterstand, bioj voorbeeld bij het gebruik van de Nederlandse taal? Gebruiken de ouders van de andere leerling achterdeurtjes? Hebben beide leerlingen zo wel op hoogst toegestane niveau dezelfde kansen? Misschien is de leerling met de slechtste ondergrond meer gebaat bij een omweg. Of moet de andere leerling ook afgeremd worden om te kunnen spreken van gelijke kansen?

Ik wil bijna asluiten met de verbaaste opmerling van wijlen de communist en parlementariër Marcus Bakker: Nu kunnen de arbeiderskinderen naar het gymnasiun en nu wordt het afgeschaft.
Maar toch nog even vreklaren waarom ik fan van de door onze politici figuurlijk gekerkerde Eleanora ben. Ik denk dat zij zorgde voor de zin “Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven” in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 26.3. Zij wilde vast daarmee de rechten van alle intelligente nieuwgierige leerlingen beschermen

1 Reactie

  1. Waar kun je nog met je kind terecht als jezelf al de aanzet hebt gegeven? (12-09-207)
    Citaten uit een stukje geschreven dor Leonard Pfeijffer op de achterpagina van de NRC:
    **In de tijd dat ik een aanvang nam, was zij [mijn moeder] onderwijzeres, een beroep dat, omgerekend met oog op de inflatie van het Nederlands onderwijs, vandaag de dag overeen zou komen met een universitair hoogleraar. Nog voordat ik naar de kleuterschool ging, leerde zij mij lezen en schrijven.
    **En op een gegeven moment werd het leuk om dingen expres op een nieuwe, afwijkende en creatieve manier te formuleren, omdat het een spel was geworden dat ons verbond. Ik ben nog steeds dankbaar voor de ervaring dat taal een spannend spel kan zijn.
    **Hetbelangrijkste dat ik van haar op deze manier heb meegekregen, is niet de elementaire lesstof die zij behandelde, maar de ervaring dat het aangenaam is om dingen te leren”

Geef een reactie