Onze brief aan de informateur

8 september 2017

 

Aan de informateur van het nieuwe kabinet, dr. G. Zalm

en de onderhandelaars van de formerende partijen:

drs. M. Rutte, mr. S. van Haersma Buma,

drs. A. Pechtold en drs. G.J.M Segers

 

Geachte heer Zalm,

Nu de formatie van het nieuwe kabinet in een vergevorderd stadium lijkt te verkeren, wil ik namens de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) nog graag enkele aanbevelingen doen met betrekking tot het onderwijsbeleid van het nieuwe kabinet. Onze vereniging zet zich al meer dan tien jaar in ter verbetering van het onderwijs in ons land en is nog steeds een van de meest actieve en invloedrijke onderwijsverenigingen in Nederland. Regelmatig hebben wij relevante kwesties aan de orde gesteld en voorstellen tot verbeteringen van ons onderwijs gedaan die later door beleidsmakers en bestuurders zijn overgenomen.

In deze brief zal ik me tot drie prangende kwesties beperken die in het bijzonder de aandacht verdienen van een nieuw kabinet, namelijk: 1) de doorgeslagen verengelsing en internationalisering van het hoger onderwijs, 2) de perverse prikkels in de huidige bekostigingssystematiek en 3) de falende representatie van de leraar/docent in de ontwikkeling van onderwijsbeleid. Voor de komende kabinetsperiode acht BON het zeer wenselijk dat de overheid met betrekking tot deze kwesties de volgende beleidsmaatregelen treft:

  • Roep een halt toe aan de financieel gemotiveerde internationalisering en doorgeslagen verengelsing van het hoger onderwijs (op kosten van de Nederlandse belastingbetaler). Als gevolg van de huidige bekostigingssystematiek in het hoger onderwijs zijn onze universiteiten met elkaar aan het wedijveren op de ‘internationale onderwijsmarkt’ om zoveel studenten binnen te halen; veelal ten koste van hun maatschappelijke en culturele taak én de kwaliteit van het onderwijs. De hogescholen volgen in rap tempo. Om buitenlandse studenten te werven, worden momenteel steeds meer onderwijsprogramma’s in het Engels aangeboden. Of dit vanuit een onderwijskundig, maatschappelijk en cultureel perspectief wenselijk is, doet niet meer ter zake. Een fundamentele discussie over de voor- en nadelen van deze ontwikkeling blijft achterwege en legt het binnen de instellingen zelf meestal af tegen de logica van het geld. Inmiddels vindt daardoor zo’n 80% van de Nederlandse masteropleidingen plaats in het Engels en gaat men er op veel universiteiten toe over om ook de bacheloropleidingen te verengelsen. In het buitenland wordt vervolgens actief geworven om zoveel mogelijk studenten binnen te halen. In plaats van deze buitenlandse studenten kennis te laten maken met de Nederlandse taal en cultuur worden zij in veel gevallen volledig in het Engels opgeleid en bejegend.

Voor de duidelijkheid: BON is een groot voorstander van internationale samenwerking tussen universiteiten, maar vindt wel dat dit gepaard dient te gaan met een zeker respect voor elkaars taal en cultuur. Evenmin is BON tegen het gebruik van Engels aan de universiteit – dat zou onzinnig zijn, maar wij zijn wel van mening dat momenteel het evenwicht zoek is. Universiteiten houden onvoldoende rekening met de maatschappelijke en culturele belangen die in het geding zijn. Dit staat haaks op het ideaal van academisch burgerschap. De verengelsing waarmee de huidige vorm van internationalisering gepaard gaat, druist ook in tegen Europese idealen waarin juist meertaligheid dient te worden gestimuleerd (minstens twee vreemde talen naast de eigen taal). Het oorspronkelijke Erasmus-programma voor Europese studenten was immers bij uitstek gericht op de bevordering van de kennis van elkaars taal en cultuur.

Mede door de enorme stijging van het aantal buitenlandse studenten is de studentenpopulatie aan onze universiteiten sinds 2000 met zo’n 40% gegroeid terwijl het geld dat gemiddeld per student wordt uitgegeven in dezelfde periode van zo’n 20.000 euro naar 14.000 euro is gedaald. De laatste jaren is ook de buitenlandse markt ontdekt en vindt er een immense stijging plaats van buitenlandse aanmeldingen. Mondiaal gesproken kent Nederland verhoudingsgewijs al de meeste buitenlandse studenten (in 2016 ruim 120.000) en dat aantal zal de komende jaren alleen maar toenemen. Omdat de beschikbare middelen niet navenant stijgen betekent dit er steeds minder geld per student beschikbaar komt: universiteiten zitten in een race naar de bodem.

Het aantal studenten uit Nederland dat in het buitenland een studie volgt is inmiddels een veelvoud lager dan de instroom van buitenlandse studenten in ons land (zo’n 1 op 6). Aan de Universiteit van Maastricht is inmiddels 56% van de studenten afkomstig uit het buitenland. In het geval van normale marktomstandigheden zou een dergelijke score natuurlijk prachtig zijn, maar hier is sprake een publiek bekostigde instelling – die in de eerste plaats de Nederlandse samenleving en student ten goede dient te komen. EU-studenten kunnen nu tegen een relatief laag tarief studeren aan onze universiteiten (veelal zonder Nederlands te hoeven leren), omdat hun studie fors gesubsidieerd wordt met het geld van de Nederlandse belastingbetaler. Onze universiteiten hebben daardoor een oneigenlijk marktvoordeel ten opzichte van veel andere aanbieders: er is zogezegd geen gelijk speelveld.

Vooral Nederlandse studenten betalen hiervoor de rekening: terwijl de basisbeurs is afgeschaft, is er per student aanzienlijk minder geld beschikbaar binnen een opleiding en wordt de huurprijs voor studentkamers omhooggedreven door de sterk toegenomen vraag daarnaar. Niet verrassend is dat tegelijkertijd de huisvesting van die buitenlandse studenten ook een groot probleem is.

Zoals ook in het recente rapport van de KNAW naar voren wordt gebracht, is de huidige verengelsing van het hoger onderwijs in meerdere opzichten onwenselijk. De negatieve gevolgen ervan werken door in het gehele Nederlandse onderwijsgebouw (van basisonderwijs tot de universiteit). Het ondermijnt de ontwikkeling en het behoud van het Nederlands als een volwaardige onderwijstaal en het leidt tot een algehele taalverschraling. Het belemmert bovendien de integratie van minderheden in Nederland en zet mensen met een migratie-achtergrond op een extra achterstand. Verder is het een miskenning van onze eigen nationale cultuur en identiteit en werkt het de maatschappelijke tweedeling in de hand. De huidige vorm van verengelsing van ons hoger onderwijs versterkt bij een segment van de samenleving dat niet in staat is om met deze verengelsing mee te gaan het ressentiment jegens ‘de elite’ die nu letterlijk niet meer hun taal spreekt.

Engels is een prachtige taal en BON juicht het toe dat studenten in het kader van de globalisering en hun eigen persoonlijke ontwikkeling daarin goed geschoold worden. Ook buitenlandse studenten zijn wat ons betreft welkom. Daar gaat het ook niet om. We keren ons tegen de doorgeslagen verengelsing van ons hoger onderwijs en achten het noodzakelijk dat de overheid snel ingrijpt. Weliswaar delen wij de opvatting van de KNAW dat er per opleiding gekeken zou moeten worden naar de manier waarop Engels daarin het best een plaats kan krijgen, maar tegelijkertijd zijn we ook van mening dat de tijd van zelfregulering op dit punt voorbij is. De overheid dient nu een grens te stellen. Gezien de dramatische ontwikkelingen van de afgelopen jaren is het niet langer verantwoord om de taalkwestie aan onderwijsinstellingen en opleidingen zelf over te laten. Sinds het begin van het publieke debat dat BON met het Taalcollectief heeft aangezwengeld (ruim twee jaar geleden), is het tempo van de verengelsing van onze universiteiten alleen maar toegenomen. En hoewel minister Bussemaker mede naar aanleiding van dit debat de KNAW heeft benaderd om een rapport over de taalkwestie te schrijven, hebben de universiteiten de uitkomst daarvan niet afgewacht. Zij zijn in een versneld tempo overgegaan tot verengelsing. De overheid moet daarom een veel dwingender standpunt innemen ten aanzien van deze ontwikkeling én toezicht houden op de naleving van de wet (onder andere artikelen 1.3.5, 7.2 en 7.28.2). Die leert ons helder en duidelijk dat aan onze universiteiten Nederlands in beginsel de taal is waarin onderwijs wordt aangeboden, tenzij er een evidente noodzaak is om daarvan af te wijken.

Het is onzinnig te stellen dat universitaire instellingen vanwege het proces van globalisering geen andere keus hebben dan Engels te gebruiken – een belangrijk element van de huidige argumentatie. Elders op de wereld worden namelijk wel degelijk andere keuzes gemaakt, onder andere in ons buurland Vlaanderen waar de overheid ook een grens heeft gesteld aan de verengelsing. De laatste jaren is steeds duidelijker aan het worden dat het proces van globalisering allerlei tegenkrachten oproept en dat het verstandig is om zorg te dragen voor de lokale en nationale dimensie van de samenleving. Dat zouden we ons ter harte moeten nemen. Het is helaas een normale zaak geworden dat Nederlandse universiteiten zich nauwelijks afvragen wat de gevolgen zijn van hun huidige internationaliseringsbeleid voor de Nederlandse samenleving en het onderwijs als geheel. Wat we nodig hebben aan onze publiek bekostigde vaderlandse universiteiten is een gezonde mix van internationale en nationale oriëntatie; het evenwicht is momenteel zoek. Daarom is nu de politiek aan zet.

Er waren en er zijn nog steeds goede redenen om de wet op hoger en wetenschappelijk onderwijs te handhaven (onder andere artikelen 1.3.5, 7.2 en 7.28.2). Natuurlijk is het ook mogelijk om nieuw taalbeleid te ontwikkelen; en daar zijn wellicht ook goede redenen voor. Maar nu wordt er geen beleid ontwikkeld én wordt de wet niet gehandhaafd. Dit leidt tot een wildgroei van het Engels (of beter globish) aan onze universiteiten, met alle negatieve consequenties van dien. Als de Nederlandse overheid niets doet en de huidige bekostigingssystematiek van het hoger onderwijs handhaaft, dan is het onvermijdelijk dat onze universiteiten binnen enkele jaren vrijwel geheel zijn overgegaan tot Engels als de voertaal van onderwijs, onderzoek en bestuur. Vervolgens wordt dan op termijn ook de vraag reëel waarom we ons voortgezet onderwijs nog in het Nederlands zouden aanbieden. Beheersing van het Nederlands is immers ook geen voorwaarde meer voor een universitaire opleiding. Daarmee is meteen ook duidelijk dat uiteindelijk onze nationale cultuur en identiteit in het geding zijn.

BON heeft ruim twee jaar geleden een oproep gedaan aan de politiek en de kamer om ernst te maken met de handhaving van de wet op het wetenschappelijk en hoger onderwijs. Omdat het huidige kabinet de afgelopen twee jaar geen beleid hieromtrent heeft ontwikkeld en de universiteiten in een rap tempo omschakelen naar Engels als voertaal, hebben wij dit voorjaar aangekondigd de gang naar de rechter te maken als het nieuwe kabinet deze ontwikkeling geen halt toe roept. Afgelopen zomer hebben vele duizenden mensen onze petitie daartoe ondertekend en is de kritische discussie over de verengelsing op gang gekomen. Wij hopen dan ook dat het nieuwe kabinet de ernst van de situatie onderkent en, evenals de Vlaamse regering, maatregelen neemt om de huidige linguicide van het Nederlands aan onze universiteiten te stoppen.

  • Maak ernst met de invoering van een nieuwe bekostigingssystematiek voor het gehele Nederlandse onderwijs. Zoals Beter Onderwijs Nederland de afgelopen jaren meerdere malen heeft laten zien, draagt de huidige bekostigingssystematiek binnen het onderwijs verscheidene perverse prikkels in zich en leidt het tot allerlei negatieve consequenties. Dat is zeker niet alleen het geval in het hoger onderwijs. Mede naar aanleiding van het debacle rond ROC Leiden is BON geraadpleegd door de vaste Kamercommissie onderwijs die deze kwestie in kaart wilde brengen en de mogelijkheden van nieuwe financieringsvormen wilde verkennen. De huidige lumpsum-financiering in combinatie met sterk kwantitatieve prikkels hebben tot gevolg dat het primaire onderwijsproces op veel plaatsen onder druk is komen te staan en te veel geld aan verkeerde zaken wordt besteed. Geld is momenteel niet het grootste probleem in ons onderwijs, de doelmatige besteding ervan wel. Een private onderwijsinstelling als het IVA (BON-vriend van het eerste uur) toont aan dat het mogelijk is om kwalitatief top-onderwijs door hoogopgeleide docenten aan te bieden – met meer dan 30 onderwijscontacturen per week – tegen eenzelfde tarief dat de overheid momenteel uitgeeft per student in het mbo en hbo, waarbij alle docenten ook nog eens hoger zijn ingeschaald dan gemiddeld in het reguliere hoger onderwijs…

BON heeft al eerder verscheidene alternatieve modellen voorgelegd voor de huidige lumpsum-financiering (die niet meer van deze tijd is), waarbij een einde wordt gemaakt aan de vrijwel onbeperkte vrijheid die onderwijsinstellingen momenteel hebben om publiek geld naar eigen inzicht te besteden. Er wordt bovendien geen toezicht gehouden op de besteding daarvan; wat naar onze mening indruist tegen het principe van democratische verantwoording. Mede als gevolg van de huidige financiële en bestuurlijke zelfstandigheid van onderwijsinstellingen – waarin zij ook personele risico’s moeten afdekken en nieuwe gebouwen dienen te bekostigen – hebben vele onderwijsinstellingen grote reserves aangelegd die inmiddels oplopen tot vele miljarden en hebben zij dure vastgoed- en financieel deskundigen in dienst moeten nemen.

Het lijkt ons verstandig dat de overheid opnieuw enkele taken voor haar rekening neemt die nu een te groot beslag leggen op de middelen van deze instellingen. Bovendien ontbreekt ook vaak de expertise om dergelijke taken op verantwoorde wijze uit te voeren (zoals grote bouwprojecten). De huidige reserves (voor het vo alleen is deze in 2015 liefst 16% van de totale begroting van OCW) van de onderwijsinstellingen kunnen via schatkistbankieren terugvloeien op de balans van overheid. Dit vergemakkelijkt bovendien het toezicht op de besteding van de middelen en het aangaan van bepaalde risico’s. Ook maakt dit kleinschaliger onderwijsinstellingen mogelijk. Het zijn vaak de kleinere scholen die door ouders, leerlingen en leraren het best worden gewaardeerd.

We achten het noodzakelijk dat de overheid de huidige bekostigingssystematiek van het onderwijs herziet en het toezicht op de besteding van de middelen verscherpt. Daarbij moet de kwaliteit van het primaire proces centraal staan. Gebruik de komende regeerperiode om zo’n nieuwe systematiek te ontwikkelen en door te voeren! BON voorziet de nieuwe regering ook op dit punt graag van advies.

  • Bedenk in samenspraak met het onderwijsveld een nieuwe structuur om de inspraak van leraren en docenten in het onderwijsbeleid te vergroten en ga daarbij uit van de samenhang van het gehele onderwijsgebouw. De afgelopen jaren is er de nodige aandacht geweest voor het belang van goede leraren en docenten voor deugdelijk onderwijs. Dat geldt voor alle sectoren: van basisschool tot universiteit. Wij achten dat een goede zaak. Tegelijkertijd is het de vraag op welke wijze de leraar en docent gerepresenteerd worden bij de ontwikkeling van onderwijsbeleid door de overheid en bij de invoering van maatregelen die diepgaand hun beroep en werkomgeving betreffen. De heftige discussies rond het zogenoemde lerarenregister en Onderwijs2032 hebben laten zien dat de huidige structuur – waarin de Onderwijscoöperatie een centrale rol vervult – in veel opzichten tekort schiet. Een andere structuur van representatie is daarom geboden; daarbij dienen de natuurlijke relaties binnen bepaalde vakdisciplines (geschiedenis, biologie, natuurkunde enzovoorts) in de verschillende onderwijssectoren meer met elkaar verbonden te worden dan nu het geval is.

Ook het ministerie van OCW dient in onze ogen haar eigen functioneren onder de loep te nemen om tot nieuwe uitgangspunten te komen voor de omgang met het veld. Een gebrek aan legitimiteit rond nieuw onderwijsbeleid heeft demotivatie en cynisme binnen de sector tot gevolg gehad. Een nieuw kabinet dient zich ook rekenschap te geven van hetgeen de afgelopen niet goed is gegaan. Zo maakt Beter Onderwijs Nederland zich grote zorgen over de manier waarop momenteel de nieuwe curriculumontwikkeling lijkt vorm te krijgen. Hoewel de Kamer dit voorjaar uitdrukkelijk op de rem heeft getrapt, wijst alles erop dat de plannen van de commissie Schnabel (Onderwijs2032) er toch door worden gedrukt. Dat heeft alles te maken met de structuren die de afgelopen jaren mede door OCW zijn ontwikkeld en de financiële belangen die daarbij in het spel zijn. Die leiden ertoe dat redelijke argumenten en tegenspraak gemakkelijk terzijde kunnen worden geschoven. Ook binnen OCW zelf lijken er de nodige schotten te bestaan tussen de verschillende afdelingen (gerelateerd aan de verschillende onderwijssectoren) die een vruchtbare gedachtewisseling en eenheid van beleid in de weg staan.

We hebben er dit voorjaar met klem op gewezen dat curriculumontwikkeling altijd in relatie tot het vervolgonderwijs dient plaats te vinden. Vakgenoten uit de verschillende onderwijssectoren dienen het gesprek met elkaar aan te gaan over wat een wenselijke curriculumopbouw is (van basisschool tot beroepsopleiding of universiteit). Mede om die reden achten wij de huidige organisatie van de curriculumherziening onprofessioneel en onverantwoord. Dit is mede het gevolg van de verbrokkeling van het onderwijsgebouw die weer wordt versterkt, omdat er naar onze mening onvoldoende eenheid van beleid aanwezig is bij OCW zelf. De neiging tot de vorming van afzonderlijke clusters is ook in het onderwijs zeer groot, maar het is schadelijk voor de samenhang van het onderwijsgebouw en de deugdelijke ontwikkeling van leerlingen. De enige mogelijkheid om orde te scheppen in de onderlinge samenhang van de verschillende sectoren (van basisschool tot universiteit) is de herwaardering van vakkennis of vakkundigheid als organisatorisch principe. Daarop is trouwens ook de oorspronkelijke register-systematiek gebaseerd. We roepen het nieuwe kabinet daarom op om de gang van zaken rond een paar dossiers kritisch te evalueren (o.a. register en curriculumherziening) en maatregelen te treffen om te voorkomen dat leraren en docenten komende jaren voor onaangename verrassingen komen te staan en leerlingen de dupe worden van falend onderwijsbeleid.

Beter Onderwijs Nederland hoopt dat het nieuwe kabinet de moed heeft om die maatregelen te nemen die het onderwijs momenteel nodig heeft om de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen veilig te stellen. Wij zijn natuurlijk ook te allen tijde bereid om daarover in gesprek te treden met de nieuwe bewindslieden van OCW.

Daarmee besluit ik deze brief en wens ik u en de onderhandelaars veel succes met de formering van een nieuw kabinet.

Hoogachtend,

Ad Verbrugge – voorzitter Beter Onderwijs Nederland

 

6 Reacties

  1. Steeds vaker merk je dat de overheid de scholen ook opvoedende taken wil toeschuiven die ouders toekomen. Wat een pretentie van beter weten als zij nog niet eens in staat is er voor te zorgen dat kinderen op school goed talen- en rekenonderwijs krijgen!

  2. Een écheque bij niewbouw is vaak niet slechts het gevolg van financiële onkunde, overmoed en praalzucht van schoolbesturen maar ook van het niet kiezen voor een onderwijsmethode die bewezen werkt maar voor lesmethoden die goed zouden moeten werken maar dat niet doen. Daardoor krijgt het gebouw een verkeerde inrichting. Een gebouw waar coaches in plaats van leraren het leerproes zouden moeten sturen. Als we ooit weer terug gaan naar klassiek onderwijs zitten we met coaches die niet voor dat soort onderwijs zijn opgeleid. Het beleid van de shoolbesturen zal dus tot dus tot nog veel meer rampspoed leiden.

  3. Toen de scholen leerlingen gingen ophokken om aan de urennorm van de overheid te kunnen voldoen konden de ouders daar geen juridisch bezwaar tegen in brengen. Het ontbreekt de ouders aan geoorloofde middelen om zich te verzetten tegen de uitwassen van de leerplicht zoals toen bij het interpreteren van de leerplicht als aanwezigheidsplicht het geval was. De leerplicht is zo ingrijpend in het leven van een kind dat ouders in het belang van hum kind moeten kunnen interfereren zodra dat inefficiënt onderwezen wordt. Een bonafide nieuw kabinet kabinet dat zich geen onfeilbaarheid toeschrijft zou daar aandacht aan moeten besteden.

  4. BON heeft er dit voorjaar met klem op gewezen dat curriculumontwikkeling altijd in relatie tot het vervolgonderwijs dient plaats te vinden, zo staat in de brief van Ad Verbrugge aan Kabinetsformateur Zalm. Als dat inzicht bij bonafide politici zou doordringen zou het interessant zijn aan de docenten van de universiteit te vragen of zij het vroegere HBS-diploma ook geschikt of misschien zelfs beter vinden als toelatingsdocument voor het universitaire onderwijs. Daarna zou onderzocht kunnen worden hoeveel ouders hun kind naar een HBS zouden willen sturen. Als dat veel mensen blijken te zijn zouden die, ondersteund door BON, de overheid kunnen vragen voor ouders de mogelijkheid te heropenen om hun kinderen nar de HBS te sturen. Een extra voordeel van zo’n actie zou zijn dat deze ouders eindelijk eens massaal hun onvrede met het huidige onderwijs kunnen tonen.

Geef een reactie