PISA 2018: Kwart van de leerlingen onvoldoende leesvaardig.

Titanic_Sn1912.jpg

Vandaag is het driejaarlijkse PISA rapport verschenen, dit jaar met speciale aandacht voor leesvaardigheid.

Van de website:

PISA is een afkorting voor Programme for International Student Assessment. Het is een internationaal vergelijkend onderzoek dat de vaardigheden en kennis in lezen, wiskunde en natuurwetenschappen van 15-jarigen test. Er nemen 77 landen deel aan PISA-2018. Het onderzoek staat onder toezicht van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Het PISA-onderzoek bestaat uit een digitale toets. Leerlingen worden in 3 domeinen getoetst: leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen. In 2018 is ook een toets financiële geletterdheid afgenomen. Leerlingen vullen daarnaast een vragenlijst in over zichzelf en over hun school. Deze informatie is waardevol voor het onderzoeken van verschillen in prestaties tussen leerlingen en/of landen. Zowel de PISA-toets als de -vragenlijst wordt op een laptop afgenomen.

Vanaf 2000 wordt elke 3 jaar een nieuw onderzoek gehouden met één van de 3 domeinen als hoofddomein. In PISA-2018 is het hoofddomein leesvaardigheid. De andere 2 domeinen komen minder uitgebreid aan bod.

De resultaten zijn werkelijk ontluisterend. De conclusies:

  1. Het niveau van leesvaardigheid is in Nederland achteruitgegaan, maar het niveau van wiskunde en natuurwetenschappen is stabiel gebleven.
  2. De internationale positie van Nederland in PISA is voor leesvaardigheid verslechterd.
  3. Bijna een kwart van de leerlingen is onvoldoende leesvaardig om als mondige burger in de huidige samenleving te participeren.
  4. Nederlandse leerlingen zijn vooral minder goed in het evalueren van en het reflecteren op teksten.
  5. Meisjes zijn in vergelijking tot jongens veel beter in lezen, iets beter in natuurwetenschappen en net zo goed in wiskunde.
  6. Het opleidingsniveau van ouders hangt sterk samen met de prestaties van hun kinderen op de PISA-toets.
  7. Nederlandse leerlingen zijn de minst gemotiveerde lezers van alle PISA-landen.

Het is duidelijk dat dit voor BON niet als een verrassing komt. Decennia van ongefundeerde vernieuwing, het lerarentekort, de vele onbevoegd gegeven lessen, de grote werkdruk, complexe thuissituaties en de invoering van passend onderwijs, de vele taken die over de heg het onderwijs worden ingekieperd of die het onderwijs zichzelf soms oplegt: het zijn allemaal mogelijke, elkaar versterkende, oorzaken van de dramatische achteruitgang. Een achteruitgang die twee jaar geleden ook door de onderwijsinspectie in ‘De staat van het onderwijs’ werd geconstateerd. De beide ministers toonden destijds erg weinig gevoel voor urgentie. Er was ook veel dat wel goed ging en we moesten vooral samen met iedereen goed onderwijs nog beter maken.

Momenteel lijken de waarschuwingen van de inspectie van twee jaar geleden verder weg dan ooit. Minister van Engelshoven is bezig met het aantal vrouwelijke hoogleraren, een weinig krachtig plan met betrekking tot verengelsing en internationalisering en met balletje balletje en een zak vol dukaten voor het hoger onderwijs. Minister Slob zit met het lerarentekort, maar het lukt hem hier niet om de leraren tevreden te stellen. Dat kan ook moeilijk omdat hij er niet over gaat. De macht ligt immers bij de schoolbesturen, in het bijzonder bij de sectorraden. Door de lumpsum kan de minister hooguit extra geld geven, maar zicht op waar dat aan besteed wordt is er niet, en soms lijkt het alsof hij dat niet wil weten ook. Afspraken daarover in het verleden zijn niet nagekomen.

En dan is er nog die andere erfenis uit het verleden: Curriculum.Nu. Ooit als Onderwijs2032 begonnen als speeltje van staatssecretaris Sander Dekker op initiatief van de onderwijsraad is deze Titanic door vereende krachten van belanghebbenden goed op stoom gekomen. Wie kan de koers nog verleggen voordat het strijkje speelt? Minister Slob lijkt vooral veel waardering te hebben voor de leraren en adviseurs die zo leuk bezig zijn het curriculum te moderniseren: in groepjes op de grond met kaartjes en flappen maar zonder formele probleemstelling, zonder wetenschappelijk fundament en zonder enig draagvlak.

Dat de Nederlandse leerlingen het minst gemotiveerd zijn was ook bij een eerder PISA-onderzoek al geconstateerd. Veel onderwijskundigen hebben dat gegeven dan ook aangegrepen om het onderwijs zo te veranderen dat leerlingen meer gemotiveerd zouden zijn. Voor een belangrijk deel komt het voort uit de gedachte dat leerlingen het beste leren als ze gemotiveerd zijn: werken aan ‘echte’ opdrachten of projecten, de regie hebben over het eigen leerproces, onderwerpen vanuit de context behandelen, samenwerkend leren, leerlingen die andere leerlingen de stof uitleggen tot aan het volledig vrij en structuurloos rondhangen bij spelcomputers bij de zogenaamde democratische scholen aan toe. Het resultaat van al die inspanningen is averechts. Leerlingen vinden het wellicht leuk, maar leren minder. En de leraar kun je na afloop opvegen. BON meent dat leerlingen gemotiveerd raken door hun eigen prestaties. Laat ze ervaren dat ze door hard werken moeilijke dingen geleerd hebben die ze eerder vervelend vonden en het is duidelijk dat je niet zozeer (intrinsiek) gemotiveerd moet zijn om te leren, maar dat je door te leren gemotiveerd wordt.

Inmiddels heeft het ministerie gereageerd op dit rapport.

1 Reactie

  1. VO-raad reageert op PISA

    Op het gebied van wiskunde zijn de vaardigheden van Nederlandse leerlingen onverminderd hoog. Nederland neemt hier in Europa samen met Estland een toppositie in, en in vergelijking tot de OESO-landen scoort alleen Japan hier significant hoger.

    De vaardigheden op het gebied van de natuurwetenschappen liggen ruim boven het OESO-gemiddelde. Binnen Europa neemt Nederland een vierde positie in

    Opvallend is dat de groep die op het hoogste niveau presteert kleiner wordt en dat de groep die op de laagste niveaus presteert juist toeneemt. Het vroeg selecteren van leerlingen leidt niet tot betere prestaties aan de uiterste kanten van het
    onderwijsspectrum. De OESO constateerde ook al dat vroegselectie op 11/12-jarige leeftijd negatief uitpakt voor de kansengelijkheid en segregatie in het onderwijs versterkt.

    De uitkomsten van Pisa 2018 benadrukken het belang van curriculumherziening zoals in gang gezet; leesmotivatie en leesplezier maken prominent deel uit van de voorstellen voor Nederlands.

    Om deze en andere uitdagingen van de toekomst aan te kunnen, zijn ook forse structurele investeringen in het onderwijs noodzakelijk.

    Bron: www.vo-raad.nl/nieuws/pisa-toont-noodzaak-voor-leesoffensief

Geef een reactie