In de NRC onderwijsbijlage van dit weekend staat een artikel: Verloren uren in de klas. De strekking luidt kort dat Nederlandse schoolkinderen de langste schooldagen maken, maar dat bijvoorbeeld Finland, met kortere schooldagen, toch hogere (Pisa-)scores haalt. Maar het ligt, zoals altijd, complexer: het minimum aantal wettelijk verplichte uren wordt met elkaar vergeleken, niet het aantal daadwerkelijk gerealiseerde uren. Dát aantal ligt in Nederland nauwelijks gelijk aan het minimum, en in Finland hoger dan het dáár voorgeschreven minimum. En er zijn meer verschillen: het aantal kinderen per klas (dáár 20 á 25; wát een droom), bovendien is daar, zoals inmiddels wel bekend, de status en opleidingsgraad van docenten hoger.
Nu weet ik wel dat het goed onderwijs gewoon gerealiseerd wordt als het gegeven wordt door goeie docenten die gebruik kunnen maken van goeie middelen/voorzieningen, maar misschien helpen we de bestuurders en managers etc. een handje als we dit met getallen wat duidelijker aantonen, in het kader van het op de juiste plekken de voertjes voor ze neerleggen.
Dus wat ik eigenlijk zat te denken: dat getal van het minimum aantal lesuren is te ruw om onderwijssystemen van landen te vergelijken, de daadwerkelijke lesuren zijn al iets geschikter. Maar eigenlijk moet je hierin ook het effect van die kleinere klassen verdisconteren.
Kunnen we dus niet een formule bedenken waarmee we bijvoorbeeld met de factoren “daadwerkelijk gerealiseerde uren” (als die info beschikbaar is) en de factor “gemiddelde klassegrootte” (idem) tot een getal komen, een soort van onderwijscontactindex of zoiets. Als je met dezelfde contactindex (eventueel met onderliggend kleinere klassen of juist meer uren) toch betere Pisa-resultaten bereikt, dan doe je iets goed, zeker als je het ook nog voor hetzelfde geld of zelfs goedkoper doet. Of is zo’n formule te manipuleerbaar en is het onzin?

Onderwijscontactindex
Allereerst wijs ik erop dat PISA niet zo veel zegt, althans wat wiskunde betreft: de wiskunde-score bij PISA zegt niet zoveel over de wiskundige vaardigheden van de leerlingen, dit is elders op dit forum besproken.
Er is nog een complicatie: Finland (en ook Japan) tellen weinig allochtonen (denk aan taalachterstanden).
Dat verhoogt hun score.
Als theoretisch fysicus doe ik nu een gooi:
Eerste benadering:
OCI (=onderwijscontactindex) = daadwerkelijke_lesuren / (gemiddelde_klassegrootte).
Dit geeft aan hoeveel tijd een leraar besteedt aan 1 leerling.
Deze benadering moet gecorrigeerd worden: de docent vertelt vaak tegen de hele klas en als een docent iets uitlegt aan 1 leerling zullen andere leerlingen daarvan ook wat opsteken.
Het lijkt me verder redelijk dat de studieachtergrond van de docent ook als factor uitgedrukt kan worden, noem het maar DOC_NIVEAU.
De volgende formule lijkt me redelijk (ik gebruik hierbij een onbekende constante CONST, CONST ligt tussen 0 en 1):
OCI = DOC_NIVEAU X (daadwerkelijke_lesuren/gemiddelde_klassegrootte + CONST X daadwerkelijke_lesuren)
index
Zeer leuk geprobeerd!
Dan lijkt me dat er ook ergens een optimum is, een omslagpunt. Want op het moment dat leerlingen teveel aandacht gaan krijgen (dit kan!), werkt dat averechts. Doet aan dit meetinstrument natuurlijk niet af.
Onderwijscontactindex: los idee over toepassing en verfijning
Los van Pisa-scores zou je het ook kunnen gebruiken om Nederlandse scholen onderling te vergelijken, dus naast de slagingspercentages. Is ook eerlijker richting scholen met veel immigrantenleerlingen.
Een school met een hoge contactindex is aantrekkellijk omdat daar je kind meer aandacht krijgt, door kleinere klassen, meer lesuren, of een combinatie van beide.
Als je ook het opleidingsniveau (assistent/onbevoegd/2egraads/1egraads) van de docenten meeweegt, kun je de index inderdaad verder verfijnen. En wellicht ook door de scenario-koers (1/2/3/4) er op de één of andere manier bij te betrekken.
Al die gegevens geven scholen geloof ik alleen niet vrij; zou eigenlijk wél wettelijk verplicht moeten worden.