Leraren Opleiding

Hallo,

Ik vraag me werkelijk af wat een lerarenopleiding überhaupt waard is.

Ik heb aan de Lerarenopleiding gestudeerd, en verdien net zo veel als een collega die een didactische bevoegdheid heeft gehaald.

Groet,

Henk

27 Reacties

  1. Duidelijker
    Je zult iets duidelijker moeten zijn Henk.

    Wat bedoel je precies met Lerarenopleiding en wat met didactische bevoegdheid? Er zijn verschillende soorten lerarenopleiding (lerarenopleiding basisonderwijs, 2e graads lerarenopleidingen VO (voortgezet onderwijs), 1e graads lerarenopleiding VO op het HBO en 1e graads lerarenopleiding VO op de universiteit). Het woord `didactische bevoegdheid’ was ik nog niet tegengekomen. Ik weet wel dat je vroeger na bijvoorbeeld een wiskunde studie vrij makkelijk een `didactische aantekening’ kon krijgen waarmee je les mocht gaan geven in het VO.

    • Sowieso verdienen mensen die
      Sowieso verdienen mensen die nog niet in het bezit zijn van een lesbevoegdheid (welke dan ook) gewoonlijk toch wel LB, net als de meeste bevoegde leraren?

  2. Misschien een beetje flauw …
    … maar toch: Ik heb aan de Lerarenopleiding gestudeerd, en verdient net zoveel DAN een collega …”.
    Welk vak heb je daar gestudeerd?

      • Je hebt gelijk
        Het was niet slim van mij om deze reactie te plaatsen. Ik hoop dat Ritmeester mijn excuses wil aanvaarden.

    • Wat is een lerarenopleiding waard?
      Ritmeester vraagt zich af wat die ‘opleiding’ waard is, en daarmee lijkt hij geld te bedoelen. Volgens mij levert het geen cent extra op.
      Interessanter is het om je af te vragen of het inhoudelijk ook iets oplevert. Lang voordat deze draad werd gestart ben ik al tot de slotsom gekomen dat ik HELEMAAL NIETS heb geleerd op die ‘opleiding’.
      De dingen die er werkelijk toe doen kan je veel beter oppikken van ervaren collega’s in de praktijk.
      Wat er moet gebeuren is niet de kwaliteit van de lerarenopleiding opschroeven. Integendeel: we moeten erkennen dat leraar een vak is dat je in de praktijk moet leren, en als consequentie die zogenaamde lerarenopleidingen helemaal afschaffen.
      Maar WEL moeten er stringente vakinhoudelijke diploma’s vereist worden voordat iemand wordt toegelaten tot het beroep van leraar. Een leraar Nederlands moet gealfabetiseerd zijn, zijn literatuur kennen en uiteraard nog veel meer, een leraar Duits moet zijn taal en zijn literatuur beheersen, een leraar wiskunde moet weten wat het binomium van Newton inhoudt, wat Fourier-analyse is enzovoort. Al die opleidingen bestaan toch al? Je kunt toch elektrotechniek studeren, of Frans?
      De lerarenopleiders moeten gewoon weer rechtstreeks les gaan geven aan de klantjes waarom het allemaal begonnen is, in het vak dat ze beheersen.

      • beroepsopleiding
        Als je na het vwo Frans wil studeren, dan ga je naar een universiteit en daar ga je Frans studeren. Gedurende die studie houdt niemand je een beroepsprofiel voor, wat je na je studie gaat doen, is onbelangrijk. Dat is fijn voor jongeren die niet weten wat ze later worden willen, maar die wel het Frans willen beheersen. Op de faculteit Frans stellen ze dus eigenlijk maar één eis: een interesse in het Frans.

        Nu de havo-leerling. Stel dat er een havist een grote belangstelling heeft voor de Franse taal, letterkunde en cultuur. Die leerling gaat Frans studeren… maar waar? Aan een lerarenopleiding. Andere hbo’s waar Frans aangeboden wordt, bestaan er eigenlijk niet. Vanaf dag 1 weet deze havist dat hij leraar Frans moet worden. Op de lerarenopleidingen stellen ze dus aan hun studenten twee eisen: een interesse in het Frans én een interesse in het leraarsberoep. En dat op je zeventiende!

        Waarom bestaat er geen studie Frans op hbo-niveau? Een studie Frans waar je goed Frans leert spreken en schrijven. Pas daarna ga je kijken wat je ermee kunt. Misschien wil je wel leraar worden, misschien ook wel helemaal niet.

        Dit geldt natuurlijk ook voor allerlei andere vakken: aardrijkskunde, geschiedenis, Nederlands en Duits.

        • MO-akten
          Vroeger waren die opleidingen gewoon aan de universiteit verbonden. Dat heette MO-akten (Middelbaar Onderwijs). Je had MO-A en MO-B. Deze opleidingen waren de leraars-variant voor het betreffende vak; in het algemeen waren ze korter en makkelijker dan de universitaire opleiding.

        • Waarom bestaat er geen HBO frans .. of wiskunde of…
          Ik heb daar een uitgebreid en beargumenteerd voorstel voor geschreven een jaar of 7 geleden. Dat is, na uitgebreide dank en misbruik als schaamlap, door de directie in het prullenbak belandt. Daarna werd een deel deel van de collega’s ontslagen, want waren overbodig.

          Ik heb nooit enig tegenargument gehoord, nooit iets anders dan dat ze nu eenmaal hadden besloten een pure lerarenopleiding te runnen.

          Wel geruchten vernomen dat Zoetermeer dat zou tegenhouden. Kan zo maar wezen natuurlijk, want het was in de tijd van PMVO en 2e fase. En daarbij was slechts een kleur toegestaan. Zwart, maar dan wel pikzwart.

      • vraag en aanbod redresseren
        Ik geloof het argument niet dat de jeugd zozeer veranderd is dat ouderwetse methoden van onderwijs niet meer mogelijk zijn. Als dat wel zo zou zijn zou al dat onderwijs in didaktiek en puberteispsychologie misschien wel zinnig gemaakt kunnen worden. Maar het probleem zit hem in het ontbreken van extrinsieke motivatie bij de leerlingen en hun ouders. Men voelt zich veilig in het sociale vangnet dat iedereen zijn huisje, zijn auto’tje en zijn kinderbijslag garandeert. Recht op onderwijs wordt niet meer gezien als een kostbare verworvenheid en een garantie tegen kommervolle omstandigheden. In de ogen van veel leerlingen moeten de leraren blij zijn dat zij naar school komen om van hen dingen te leren. En dus moeten de leraren voor hen het onderwijs “leuk” maken. Ik zie het als een morele plicht dat de maatschappij aan leerlingen met intrinsieke of extrinsieke motivatie op degelijke wijze kennis en inzicht bijbrengt en zich daarbij van allerlei poespas onthoudt
        Seger Weehuizen

      • Eens met Bernard
        Helemaal mee eens, Bernard. Ik heb ruim een jaar een postdoctorale lerarenopleiding gevolgd die maar één nuttig onderdeel kende: stemgebruik. Voor de rest is er RUIM EEN JAAR lang enkel GEKLETST over contexten, leren leren, je POP, aansluiten bij de belevingswereld van de leerling en ga maar door. NOOIT werden je EIGEN ideeën over onderwijs serieus genomen; je MOEST het doen op de VOORGESCHREVEN manier.
        Voor mijn vak (natuurkunde) hield dit o.a. in dat je iedere les een soort circusact moest opvoeren waar de vonken van af spatten. Resultaat: een reeks onsamenhangende, ondoordachte, nietszeggende proefjes die de leerlingen dan ook al gauw de keel uithingen.
        Kritische geluiden werden onderdrukt; ik heb om die reden zelfs een extra strafperiode moeten uitzitten en daarover een verslag moeten schrijven. Hoezo rancuneus, mensen uit het onderwijs?

        En dat ene nuttige onderdeel van de opleiding: stemgebruik? Dat is waarschijnlijk allang wegbezuinigd;-).

        (Vanwege het bovenstaande ben ik zeer sceptisch over de tegenwoordig aan veel universiteiten ingevoerde ‘professionalisering’ van onderwijzend personeel.)

        • Buitenlandse stage
          Het verplichte gebruik van lesbrieven beu; de voorgebakken pedagogische verzinsels in de kliko gemikt; geld geleend voor een open ticket; m’n koffers gepakt en mijn 4e jaars afstudeerstage op een havo/vwo op Curacao gedaan.
          Daar kwamen de didactiek-begeleiders tenminste niet meekijken.
          Bijkomend voordeel: daar was NIETS (op dat moment). Eén pc in de school, een summiere bibliotheek en maar één videolokaal (met airco). Nog van die akelige zwarte schoolborden, dringend aan een lik bordverf toe. Ik werd compleet op mezelf teruggeworpen. Zelden zoveel geleerd in zo korte tijd. Na al de voorgaande stages waarbij ik iedere keer weer twijfelde of ik het wel kon, of het onderwijs wel wat voor mij was, of ik wel geschikt was voor het onderwijs, wist ik bij terugkomst pas zeker dat ik een goede keuze had gemaakt. Ondanks of dankzij het ontbreken van begeleiding vanuit het instituut; 2 vakdocenten ter plekke voldeden meer dan prima.

    • Toelichting
      Meer dan een decennium heb ik leraren voor het beroepsonderwijs opgeleid.
      In die periode heb ik de machtsovername door de pedagogen en onderwijskundigen van nabij meegemaakt. Steeds verder werd het vakmatige deel van de opleiding teruggedrongen en vervangen door een hutspot van psychologie; sociologie; pedagogie; onderwijskunde enz. Veel studenten beklaagden zich indertijd al over de lage toegevoegde waarde daarvan. Het droeg weinig bij aan hun functioneren in de klas.
      Daarop is mijn mening gebaseerd dat een goede vakmatige opleiding, aangevuld met een basiscursus “onderwijskunde” voldoende is voor een startbekwaamheid als leraar. Ontbrekende onderwijskundige vaardigheden leer je later gemakkelijker aan dan ontbrekende vakkennis.

      • ander oordeel
        Ik heb nog zo een ouderwetse MO-A en B opleiding. Die was vakinhoudelijk (theologie en filosofie) degelijk en de mijne was ook onderwijskundig goed en uitgebreid. (Jaren 70 en 80) en voor die onderwijskundige extra bagage ben ik nu heel dankbaar. Ik zou als leraar niet geweest zijn wie ik nu kan zijn, zonder.
        Dus kom ik vanuit een andere invalshoek als jij, Hendrikush, tot een tegengesteld oordeel. Die onderwijskunde is nodig….en die vakinhoudelijke degelijkheid ook (maar daarover zijn we het blijkbaar eens;-)

        Het extra van de M.O.-B – waarmee je een 1e graads lesbevoegdheid kreeg – is dat je als docent kunt denken, oordelen en beslissen over het geheel van een leerplan omdat je een behoorlijk overzicht heb van je vak in onderwijskundig perspectief. Dat laatste: in staat zijn om je vak te overzien en verantwoorde onderwijskundige beslissingen kunnen nemen over het geheel van je vak, is een belangrijke extra kunde die eerste graders hebben of zouden moeten hebben!

        Overigens, ik heb dit al vaker aangegeven in duscussies op dit forum, valt het mij op dat er vele collega’s zijn (ook universitair opgeleide) die zo weinig bekend zijn met elementaire onderwijskundig-didactische begrippen, daarmee niet denken en zelfs niet weten waar je het over hebt als je ze gebruikt. Een hilarisch voorbeeld op mijn eigen school is dat er talrijke mensen zijn die als ze het hebben over hoge cognitieve doelen (in het schoolplan) daarmee bedoelen dat leerlingen veel van buiten moeten leren.

        • Hoge doelen op het schoolplein?
          Dat krijg je met die veramerikanisering. Moeten ze zeker ook met van die helmen op en schoudervullingen enzo. Wat is er mis met twee jassen op de grond voor de doelen?

          Nou ja: er is tenminste één voordeel: mooie meisjes huppen met fel gekleurde veren in het rond. Een mooi zicht natuurlijk!

        • Do you know?
          Op incidentele ervaringen kun je moeilijk een algemeen oordeel baseren. In de B-vakken is het gebruikelijk om te onderzoeken of hypothesen worden ondersteund door experimenten.
          Zijn er onderzoeken die de toegevoegde waarde van een opleiding naar ‘hogere onderwijskundige doelen’ ten opzichte van een gedegen vakmatige opleiding aantonen?

          • ploink?
            Als je lesgeeft wil je iets bereiken. De leerlingen moeten iets kunnen als resultaat van je onderwijs. (doelstelling)
            Didactiek biedt begrippen waarmee je dat kunt beschrijven en hanteren. Doelen bestaan uit een inhoudscomponent en een handelingscomponent ( = dat wat de leerlingen met de inhoud moet kunnen, bij cognitieve doelen moeten leerlingen dus een denkhandeling zichtbaar laten zien). De inhoud is (vooral) vakspecifiek. Inhoud bestaat uit begrippen en (rationele) relaties daartussen. Die begrippen kunnen eenvoudig en moeilijk zijn, de relaties tussen begrippen ook.
            Toegepast op iets exacts:
            De staartdeling die de leraar voordeed nadoen is een lage cognitieve doelstelling over een vrij eenvoudige inhoud. (lage doelstelling)
            De differentiaalvergelijking die de leraar voordeed zelf ook doen is inhoudelijk moeilijker, maar nog steeds een lage doelstelling omdat de denkhandeling “kennis”= reproductie is.
            Een staartdeling met andere getallen vraagt een moeilijkere denkhandeling dan “nadoen”. Daarvoor moet je begrijpen hoe delen werkt. (cognitief: begrip) en de aangeleerde vrij eenvoudige relatie tussen getallen (= begrippen), die je door elkaar deelt kunnen toepassen. (denkniveau: toepassen). Toepaasen is een hogere cognitieve doelstelling dan kennis.
            Je zou toch niet willen dat een leerling alleen dezelfde sommen zou kunnen maken, die je als leraar hebt voorgedaan?
            Dus zul je je onderwijsproces zo moeten opzetten , dat de leerlingen leren om kennis (van getallen en een relatie van delen daartussen) te begrijpen en leren toe te passen, zodat ze in staat zijn om te zien wanneer ze een deling moeten maken (begrip) en dat ook kunnen(toepassen) met in principe alle getallen. In twee woorden: leren delen.
            Ik snap niet dat er iets bewezen moet worden? Je bedoelt toch niet, dat het gewenst is dat je leerlingen in je lessen alleen dat kunnen dat je ze eerst precies zo hebt voorgedaan?

          • Vakken van weknow
            Bij de meeste vakken is het vrij duidelijk wat een leerling moet leren.
            Juist bij een vak als levensbeschouwing is dat volgens mij veel moeilijker.

            Ik maak mijzelf wijs dat ik een heleboel vakken (in de onderbouw) wel zou kunnen geven. Maar levensbeschouwing en filosofie zou een ramp worden.
            Daarom is het wellicht voor zo’n vak, net als voor bijvoorbeeld tekenen, wel heel zinvol om uitgebreid na te denken over wat je met het onderwijs wilt voordat je voor de klas komt.

            Zelf ben ik met een minimale didactische bagage “voor de leeuwen gegooid”. En eerlijk gezegd heb ik dat nooit als een groot probleem gezien.
            Maar dat zou natuurlijk ook aan mijn oogkleppen kunnen liggen…

          • (vak)didactiek nodig?
            Beste zwavelzuur,

            Is “wat je moet behandelen” altijd zo duidelijk?
            Of betekent dat, dat je zegt dat anderen (bijvoorbeeld methodeschrijvers) daar maar over moeten beslissen?

            Met mijn algemene ontwikkeling en mijn didactiek (waarmee ik bijvoorbeeld stof kan omzetten in behapbare, overzichtelijke, samenhangende stappen) zou ik misschien ook andere vakken voor een stukje kunnen uitleggen of geven. Zo van: Iedereen kan een ander wat leren en een jaar of 50 algemene ontwikkeling is ook wat…..
            Zonder daarmee iets te zeggen over jouw bekwaamheden (zou ik nooit kunnen en niet willen), realiseer ik me dat ik ook niet meer kan dan dat…en dat is te weinig voor een goede leraar…zeker voor een geheel stuk onderwijs van 4 a 6 jaar.

            Overigens heb je wel gelijk dat de inhoud en structuren van mijn vak minder evident zijn. Een goede methode (naar mijn normen) bestaat er niet. Mijn vak is in de praktijk vaak verworden tot vrijblijvend diepzinnig kletsen of een soort overzicht van levensbeschouwingen in de meest stereotype vorm, dat in feite geen bestaande werkelijkheid inzichtelijk maakt.

          • Vakinhoud
            Volgens mij ligt voor veel vakken redelijk vast wat de leerlingen (minimaal) moeten leren. Bij de exacte vakken zeker. Het boek is voor mij de (minimum)norm. Ik ben blij dat niet elke docent zelf hoeft te bedenken wat zijn leerlingen allemaal moeten leren.
            (En ik ben nog veel blijer dat de leerlingen dat niet allemaal zelf hoeven te bedenken!!!)

            Ik hoop dat leerlingen meer leren dan alleen de vakinhoud, zeg maar de exameneisen. En dat meerdere is deels vakinhoudelijk (dus meer dan voor het examen nodig is) en deels “algemeen”. Dat kan zitten in verbindingen die ik leg met (vrijwel alle) andere vakken, maar ook in het aankaarten van of verwijzen naar bijvoorbeeld actuele ontwikkelingen in de wereld. Of in de wijze waarop ik probeer leerlingen kritisch en creatief te laten nadenken, en niet alleen recreatief en reproductief.

            Als ik bijvoorbeeld Frans zou moeten geven zou ik geen geweldige docent zijn. Zeker niet in het begin. Maar ik heb ook wel eens het idee dat een “echt opgeleide” tweedegrader ook niet altijd zulke hoge ogen gooit. Althans, als ik opmerkingen van mijn leerlingen een beetje serieus mag nemen.

            Je opmerking dat er geen goede methode is voor levensbeschouwing herken ik van mijn collega’s. Zij zijn ook voortdurend bezig hun eigen materiaal te maken.
            En vrijblijvend diepzinnig kletsen moet je bij een borrel doen. Daar is schooltijd “te duur” voor.

        • De hoge cognitieve doelen
          Ik respecteer de waardering van WEKNOW voor de didactische component in zijn opleiding, maar ik heb twee opmerkingen.
          1) Ondanks het feit dat ik een jaar lang ben blootgesteld aan didactiek weet ik nog steeds niet wat hoge cognitieve doelen zijn. Dat komt omdat ik slecht oplet wanneer iemand dergelijke gewichtige, maar vooral ongrijpbare termen hanteert. Zelf zou ik die uitdrukking dan ook nooit durven bezigen.
          2) Zou het niet zo zijn, dat het maken van een leerplan, het indelen van de stof en dergelijke, u met enige ervaring en gezond verstand ook wel zonder didactische hulpmiddelen zou lukken? U denkt van niet, maar u onderschat uzelf.
          YES YOU CAN! (Copyright Obama)

          • Beste Bernard
            Blijkbaar nemen we hetzelfde onderwijs verschillend waar. Om dat in een discussie even te overbruggen….dat zal ik maar niet proberen 😉
            Toch een korte aanzet bij allebei je puntjes:
            1. In de jaren 70 schreef van Gelder een soort standaardwerk voor het Nederlandse onderwijs waarin hij allerlei didactische inzichten hanteerbaar maakte voor het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van wat je in je lessen wilde bereiken. Zoals je als je kleuren of perspectieven of vlakverdelingen kunt benoemen veel duidelijker en beter over een schilderij kunt spreken, zo kun je daarmee beter over “leren” denken en spreken en vooral het organiseren. D.w.z. aspecten van een leerproces in samenhang zien, beschrijven en hanteren. Cognitief verwijst naar het denkniveau bij een stuk leerstof (inhoud) dat een leerling zou moeten kunnen laten zien, na een leerproces: Bijvoorbeeld: “delingen van hele getallen tot duizend door andere gehele getallen” correct uitvoeren. Het cognitieve aspect van het doel heet dan: “toepassing”. (Een begrip uit de taxonomie van Bloom voor het cognitieve aspect van leren)
            2. Dat een schilder zonder kennis van kleuren, perspectief of vlakverdelingen een schilderij kan maken, wil ik best geloven. Maar als die schilder met anderen wil communiceren over schilderen, is het wel erg handig als hij dat wel kan benoemen en de andere schilders ook weten waar hij het over heeft.
            Kortom: didactiek zegt niet wat je moet leren en zelfs niet hoe (hoewel er eigen logica inzit)… Zoals kleurenkennis niets zegt over wat en hoe je schildert. Maar het is wel erg handig om te kunnen zien wat je doet en te overdenken hoe en waarom je het (zo) doet. Dat communiceert wel zo makkelijk tussen onderwijsmensen. Didactiek zou de gemeenschappelijke vaktaal van leraren moeten zijn.

          • Inzake gemeenschappelijke taal
            Dank u wel voor uw geduldige uitleg.
            Ad 1) Het duizelt mij.
            Ad 2) Met vakgenoten kan ik prima overleggen. Onze gemeenschappelijke taal wordt gevormd door de vaktermen. Met de andere collega’s: meestal lukt het wel, en dan is het Nederlands ruim voldoende. Sommigen echter zal ik nooit begrijpen, ook al hebben beide partijen 1000 didactische boeken gelezen en begrepen. Maar dat is meer een mensenkwestie. Ik begrijp wel waar u heen wilt. U vindt dat dat lesgeven een eigen terminologie nodig heeft en dat dat voordelen heeft. Ik vind dat al die fraaie termen de kwesties waarom het gaat alleen maar onduidelijker maken.

          • gemeenschappelijke taal vv
            Beste Bernard,

            1. Jammer! Dat was niet de bedoeling. Met die woorden kan ik dingen zeggen en overdenken, die voor mijn werk als leraar belangrijk zijn. Jammer dat ik je daarmee aan het duizelen maak.
            2. Wat zijn “de kwesties waar het om gaat” in het onderwijs, die nu onduidelijker zouden worden? Als ik weet wat je daarmee bedoelt, kan ik jou beter begrijpen!

            Los van alle onderwijspolitieke gedoe dat het leraren heel moeilijk maakt om ons werk goed te doen (daarom ben ik bij BON)…..is volgens mij de belangrijkste vraag voor elke leraar: Hoe kan ik mijn leerlingen zo goed mogelijk veel laten leren?

            En juist dat is de vraag die bij didactiek voorop staat (en als het dat niet doet: voorop zou moeten staan; anders is didactiek oneigenlijk bezig). Wat is er mis mee om – op een systematische en wetenschappelijke manier – dat te willen weten en gebruiken in je werk als leraar? Misschien kun je zonder, maar ik zeg niet meer dan dat het mij ondersteunt om mijn dagelijkse werk beter te doen.

            Dat er veel slechte didactiek is. Dat didactici vaak hun eigenlijke werk niet doen. Dat weet ik echt wel en heb ik op dit forum vaker aangegeven. Ik begrijp dus ook wel dat er mensen zijn, die er afkeer van hebben. Didactische woorden rieken naar nieuwlichterij en dat is synoniem met de vijand? Maar dagelijks geven die leraren lessen en nemen ze allerlei onderwijskundige beslissingen zoals en omdat zij denken dat het het beste is…dus gebruiken ze didactiek (misschien betere soms dan “de didactiek” doet!?) Hoe kun je over Beter Onderwijs praten, als het onderwerp “hoe je leerlingen zo goed mogelijk iets leert” (= didactiek) niet ter sprake mag komen?
            Omdat sommige adem zo stinkt, kun je niet zeggen: “Ik stop met ademen” 😉

          • Waarom
            moet er over onderwijs van alles en nog wat in het pedagogenjargon worden gecommuniceerd?
            Voor ouders, leerlingen en docenten is al dat potjeslatijn grotendeels overbodig; gewone taal en een begripvolle houding volstaan. Of gebruiken onderwijskundigen en pedagogen hun vaktaal als schaamlap voor een gebrek aan wetenschappelijke inhoud?
            Mijn ervaring is dat ze buiten hun vakgebeid nauwelijks serieus worden genomen.

      • Een gedegen vakopleiding
        Heeft als bijkomend voordeel dat je leraren niet levenslang veroordeelt tot een baan in het onderwijs.

Reacties zijn gesloten.