Schooljuffrouwen, meesters, onderwijzers en leraren die taalonderwijs geven hebben het moeilijk, zegt Joop van der Horst in het voorwoord van zijn boek ‘Het einde van de standaardtaal’.
We lijken aan het einde te zijn gekomen van de standaardtaal en niemand, zegt hij, weet op dit moment met de veranderingen om te gaan, maar de meester en schooljuffrouw krijgen de schuld.
Hij beschrijft in zijn boek de taalcrisis, niet alleen in ons land, maar in alle landen om ons heen. Volgens hem bevinden we ons op dit moment op een omslagpunt.
Hij laat aan de hand van de geschiedenis van de standaardtaal zien hoe deze pas vijf eeuwen oud is en hoe daarvoor het Latijn door een kleine groep geletterden als schrijftaal werd gebruikt.
In de veertiende en vijftiende eeuw kwam daar verandering in en verschenen er langzaam wetten, decreten en ook literaire werken in de eigen taal, terwijl ook dan het Latijn nog lange tijd dominant zou blijven.
Dante, Petrarca en Boccaccio schreven het grootste deel van hun werk nog in het Latijn.
Petrarca beschouwde zijn gedichten in de volkstaal als minderwaardig ten opzichte van zijn Latijnse geschriften.
Dante twijfelde of hij zijn ‘Divina Commedia’ niet beter in het Latijn kon schrijven.
Hij werd vanwege zijn gebruik van het Italiaans een dichter voor schoenlappers genoemd. Hij hield het Latijn voor de tweede taal van de Romeinen en afgeleid van de gesproken dialecten.
De verandering zette door, hoewel dat niet vanzelf ging.
In 1422 besloten de bierbrouwers in Londen voortaan in het Engels te schrijven.
De Bourgondische overheid bepaalde omstreeks 1475 dat alle officiële brieven in ‘alsulker talen, als met spreect ter plecken’ gesteld moesten worden.
En in 1539 besloot de Franse koning Frans I dat officiële en gerechtelijke stukken voortaan in het Frans geschreven moesten worden.
Langzamerhand verschenen er steeds meer pleidooien om ook literaire werken in de eigen taal te gaan schrijven.
Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan.
Voor vele woorden en begrippen bestonden geen synoniemen en woorden in de moedertaal en uniforme spelling, woordenboeken en grammatica moesten nog ontwikkeld worden. Hoewel bij dat laatste ook vraagtekens gezet kunnen worden, want Dante, Petrarca en Shakespeare schreven allang vóór het bestaan ervan wereldliteratuur.
Vanaf de vijftiende eeuw, maar pas definitief in de zestiende eeuw, verschenen die woordenboeken en grammatica’s, gebaseerd op de Latijnse grammatica, wat voor vele talen weer een struikelblok bleek te zijn. Vervolgens werden er ook Academies opgericht als officiële organen aan wie de verzorging van de taal werd toevertrouwd.
Tegelijk kreeg men in de gaten aan welke veranderingen taal onderhevig was. Tot voor kort had men nog gedacht dat het de Here God was geweest die bij de bouw van de Toren van Babel roet in het eten had gegooid en verantwoordelijk was geweest voor de algehele spraakverwarring tussen de volkeren.
Vele schrijvers en geleerden spraken hun bezorgdheid uit dat door het veranderen van de taal hun boeken in de toekomst niet meer gelezen zouden kunnen worden.
Diezelfde bezorgdheid kennen we nu, nu volgens Joop van der Horst het einde van de standaardtaal in zicht is.
Reacties zijn gesloten.

Bezorgdheid om spellingshervormingen
In de talloze discussies in de vorige eeuw over spellinghervormingen van het Nederlands is ook steeds de bezorgdheid geuit dat door de verandering van het woordbeeld de oudere Nederlandse literatuur in feite ontoegankelijk (ongenietbaar) zou worden. G. C. Molewijk 1992). Spellingverandering van zin naar onzin (1200-heden). Sdu.
Zie ook boeklog over Abram de Swaan (2002). Woorden van de wereld. Het mondiale taalstelsel. Bert Bakker.
Onze geschreven en gesproken taal is een uitgesproken cultuurfenomeen. Het onderwijs speelt daarbij een belangrijke rol. Omdat taal ook altijd is gebruikt om het eigen territorium af te bakenen (van de intellectuele elite, van het specialistische vakgebied, van de underground beweging, van de jeugdbende) is een interessante vraag: welke belangen dient het onderwijs in het ABN? Zijn dat gemeenschappelijke belangen van alle leerlingen? Of niet?
Einde Renaissancistische model…
Joop van der Horst, hoogleraar Nederlandse Taalkunde in Leuven, stelt in zijn boek dat het Renaissancistische model afgelopen en voorbij is. Dat begon al in de jaren zeventig van de negentiende eeuw met de oprichting van de HBS (1863), zette zich naast alle andere signalen door met de introductie van de Mammoetwet halverwege de vorige eeuw en begint nu, aan het begin van deze eeuw, overal definitief zichtbaar te worden.
Begin Renaissancistische model…
Kun je aangeven wat Van der Horst onder het Renaissancistische model verstaat?
Ik vermoed uit jouw tekst dat Van der Horst treurt om het verloren gaan van respect voor enige taaletiquette, of iets dergelijks. Heb ik dat mis? Als ik meen dat taal van ons allemaal is, zeg ik dan iets heel anders dan Van der Horst?
Het onderwerp spreekt mij aan, omdat er veel taal in ons onderwijs gaat, en nog meer zo in eindexamens. Dus het past ons wel om daar toch iets meer achtergronden van te weten te komen. Bijvoorbeeld waarom we zo zijn gaan hangen aan grammaticale regels uit de schoolse middeleeuwen? Zo kwam ik vandaag nog een Amerikaans toelatingstoetsje Engels tegen, uit 1870, dat vooral bestond uit vragen naar declaratieve kennis van grammatical regels (dus geen tekstverklaring, of een degelijk opstel).
Dat is een lang verhaal….
Zijn boek is bijna 400 bladzijden lang.
Hoewel ik van der Horst daar ongetwijfeld mee te kort doe, komt zijn betoog op het volgende neer.
Het is een illusie te denken dat de huidige verandering en internationale neergang in de taal zou komen door sms-taal, het gebruik van Internet, of omdat de mensheid dommer zou zijn geworden.
De fundamentele verschuiving in het gesproken en geschreven woord is al 150 jaar aan de gang.
Was in de Middeleeuwen de geschreven taal, het Latijn, uitsluitend voor een kleine groep geleerden en spraken de gewone mensen hun eigen dialect, bij de opkomst van de Renaissance komt daar verandering in. De rol van het Latijn wordt langzaam teruggedrongen om plaats te maken voor de eigen taal.
Daarvoor was wel nodig dat die eigen taal aangepast zou worden, d.m.v. uitbreiding van de woordenschat (leenwoorden), grammatica, uniforme spelling en ga zo maar door. Hij beschrijft de ontwikkeling daarvan en noemt dat het Renaissancistisch model, omdat het gehele taalgebeuren parallel gaat met de opkomst van de Renaissance.
(wordt vervolgd)
Renaissancistische model…(vervolg)
Kenmerk van het Renaissancistische model is dat de geschreven taal de boventoon voerde bóven de gesproken taal, zelfs in die mate dat het geschreven woord zich steeds meer zou verwijderen van het gesproken woord.
Dat laatste ging in de loop van de negentiende eeuw veranderen. Met de oprichting van de HBS in ons land en soortgelijke schoolsoorten in onze buurlanden, verdween voor het eerst sinds eeuwen het vak Latijn, sedert mensenheugenis dé taal van de wetenschap, voorgoed van het lesrooster. Dat herhaalde zich in de twintigste eeuw nog eens met de invoering van de Mammoetwet, waarbij het Latijn een keuzetaal werd.
Alles bij elkaar was het verdwijnen van het vak Latijn één van de symptomen van het afscheid van het Renaissancistische model.
Dat overkwam ook de schrijftaal, het troetelkind van de Renaissance, vanaf 1860. Eeuwenlang had ze op een voetstuk gestaan en was eraan gepoetst en gesleuteld met woordenboeken, grammatica’s en spellingsregelingen. Men had de mensen zelfs zover gekregen, dat ze bijna zo netjes spraken, zoals ze schreven.
Dat plaatje stortte langzaam ineen.
Kortom, men had in het begin van het proces zijn best gedaan een standaardtaal te ontwikkelen, ook omdat men bang was dat bij grote taalveranderingen de cultuur in chaos ten onder zou kunnen gaan, en daaraan leek nu een einde te zijn gekomen.
Met de oprichting van de HBS …
Ik heb veel vraagtekens bij de voorstelling van zaken van Van der Horst.
Ik dacht toch niet dat het vak Latijn verdween bij de oprichting van de HBS: toen was het al lang verdwenen (hier en daar was er begin 19e eeuw nog een hoogleraar die jaarlijks hetzelfde colle dicteerde in het Latijn: dat was dus zeker gedoemnd om uit te sterven). De stelling dat het vak Latijn verdween met de opkomst van de natiestaten en de industriële revolutie, en met de Franse Revolutie, lijkt me toch iets waarschijnlijker. Het onderwijs is niet leidend, maar volgend op maatschappelijke ontwikkelingen.
Mijn tekortkomingen…
Je zou zijn boek moeten lezen.
Dat je twijfelt, zal ongetwijfeld liggen aan mijn tekortkomingen.
Latijn (1)
Vanaf de Renaissance werd langzamerhand het monopolie van het Latijn voor wetenschappelijke boeken doorbroken (zie boven), hoewel een aantal wetenschappen (rechten en medicijnen) daar nog lang aan vast zouden houden. Al die tijd bleef het Latijn voorwaarde om aan een universitaire studie te kunnen beginnen. Anders kon je geen wetenschappelijke boeken lezen. Bovendien werden de meeste colleges in het Latijn gegeven.
Totdat in de negentiende eeuw de rol van het Latijn als taal van de wetenschap nagenoeg was uitgespeeld.
Wel nam het gebruik van het Latijn af. Van de zeventiende eeuw weten we dat toen al iets vaker bepaalde colleges in de eigen taal gegeven werden.
Kort na 1700 werd aan de universiteit van Halle het Latijn afgeschaft; in Göttingen 30 jaar later. Aan de andere universiteiten hield men veel langer vast aan de traditionele taal van de wetenschap. In Italië werd in 1765 voor het eerst filosofie in de eigen taal gedoceerd. In België werd het Latijn in 1835 afgeschaft. In Nederland werd in 1815 nog bepaald dat aan alle universiteiten het Latijn de voertaal moest zijn. In 1828 verklaarde de medische faculteit van Leiden dat het Nederlands totaal ongeschikt was voor het onderwijs in de ontleedkunde.
Maar pas de Wet op het Hoger Onderwijs uit 1876 bepaalde dat universitaire colleges niet in het Latijn gegeven hoefden te worden.
(wordt vervolgd)
Latijn (2)
Bij de oprichting van de HBS in 1863 stond wiskunde bovenaan, gevolgd door natuur- en scheikunde. Dier- en plantkunde stonden op de derde plaats. Daarna volgden economie, boekhouden en aardrijkskunde. Geschiedenis stond op de zevende plaats, gevolgd door Nederlands en de moderne talen. De hiërarchie was veelzeggend. Overigens werd het vak Nederlands pas toen als een nieuw vak ingevoerd.
Opvallende afwezige was Latijn.
De HBS kwam naast de Latijnse school, vanaf 1876 Gymnasium genoemd.
In de andere landen gebeurde hetzelfde met, zoals in Engeland, de Public School naast de Grammar School.
Op het Gymnasium en in de Grammar School bleef Latijn (en Grieks) een belangrijk vak.
En tot ver in de twintigste eeuw bleef een gymnasiumdiploma een voorwaarde voor toelating tot een universiteit.
Het zou toch nog zo’n honderd jaar duren voordat het Latijn definitief het veld moest ruimen. Dat gebeurde met de invoering van de Mammoetwet in 1968.
Frans
Zoals er in de 19e eeuw behoefte ontstond aan technisch-wetenschappelijk middelbaar onderwijs, was er enkele eeuwen eerder behoefte aan Frans onderwijs in de handel. Een aardig voorbeeld daarvan in de vorm van een herdruk van een Franse grammatica van Peeter Heyns uit 1605:
Peeter Heyns (1605/2006). Cort onderwijs van de acht deelen der Fransoischer talen. Heruitgave van de tekst met een inleiding door E. Ruijsendaal. Stichting Neerlandistiek VU Amsterdam.
Die ‘acht deelen’ verwijst direct naar de Ars Minor van Donatus, een Latijnse grammatica uit de 4e eeuw, die tot 1500 domineerde in het Westerse onderwijs. (De eerste alinea van Donatus, en die van Heyns, stemmen overeen).
Heyns had een Franse school in Antwerpen, tot hij in 1585 moest vluchten. De bevolking van die school: ca. 50 meisjes. In handels- en boerenbedrijven werkten mannen en vrouwen door de eeuwen heen samen aan hun zaak. Het was dan ook in een handelsstad als Antwerpen voor vrouwen belangrijk een commerciële vorming te hebben, als partner, en soms ook als weduwe. (…) Lezen stond centraal in de vorming en de Franse taal gold als belangrijkste verbindingstaal. De kinderen leerden achtereenvolgens letters, lettergrepen, woorden, zinnen en gesprekken. Dat laatste is conform het onderwijs in lezen van Latijn, in de 12e eeuw! Ik kom daar nog op terug.
wel/geen Latijn
De HBS was niet concurrerend t.o.v. het Gymnasium. Uit A. Bartels (1947). 75 jaar middelbaar onderwijs 1863-1938. J. B. Wolters:
Nodig was een onderwijs, waarvan het zwaartepunt geplaatst is midden in het hedendaagse leven, onderwijs in de wis- en natuurkundige vakken, dat leert opmerken, waarnemen en onderzoeken, dat belangstelling wekt voor de duizenden vraagstukken om ons heen, en daarnaast de levende talen.
De noodzakelijkheid hiervan was al in de eerste helft van de negentiende eeuw gevoeld en zo eden om enigermate in de behoefte aan een opleiding voor de maatschappij te voorzien, sinds 1838 aan een aantal gymnasia z.g.n. tweede afdelingen verbonden. In dat jaar ging het stedelijk bestuur van ‘s-Gravenhage op aandrang van de rector der Latijnse school dr. C. Bax, er toe over, deze oude school te hervormen tot een gymnasium, bestaande uit twee afdelingen, de ene voor de opleiding van jongelieden, die later het Hoger Onderwijs zouden wensen te volgen, de tweede voor hen, ‘die zich door een beschaafde opvoeding willen voorbereiden, om met nut in andere maatschappelijke betrekkingen werkzaam te zijn.’ (…)
Andere plaatsen volgden het Haagse voorbeeld, zodat er in 1848 al 18 van zulke ’tweede afdelingen’ waren en bij de invoering van de wet op het Middelbaar Onderwijs in 1863, 30 met 167 leraren en 708 leerlingen. De vakken van onderwijs aan deze scholen waren: wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, Nederlandse taal en twee (of drie) vreemde talen. [en een natuurkundig of technisch vak, van plaats tot plaats verschillend]
Die ’tweede afdelingen’ waren toevoegingen die een ander publiek bedienden. En ook al Nederlands in het lesrooster hadden staan.
ABN is noodzakelijk voor het onderwijs in onze taalunie
Er is toch 1 gemeenschappelijke taal nodig?
Het zou me wat zijn als je je steeds maar weer moet aanpassen aan de taal die de ander toevallig spreekt (binnen je eigen land of in ons geval binnen je eigen taalunie).
Ik stel daarom dat het in het belang is van alle leerlingen om in het ABN te onderwijzen, het is aan de ouders om ervoor te zorgen dat de leerlingen die taal beheersen. Mijn ouders deden dat door zelf ABN te spreken terwijl mijn moeder het dialect eveneens vloeiend sprak, in dit geval een buurdialect (zo’n 15 kilometer verwijderd van mijn oorspronkelijke dorp maar totaal niet verstaanbaar voor de mensen uit mijn dorp).
Het is mij ook opgevallen dat mensen steeds minder de grammatica en de spelling beheersen. De vraag is waardoor dit komt, het veranderde onderwijs (ofdat het nu goede of slechte veranderingen zijn, veel onderwijsveranderingen treden duidelijk eveneens in onze buurlanden op), of een afnemend respect voor de moedertaal.
Persoonlijk begrijp ik er niets van hoe het komt dat de basisschoolleraar en de VWO-leraren Nederlands er bijvoorbeeld niet in slagen om in 12 jaar tijd de leerlingen correct te leren hoe je woorden vervoegt. Indien er consequent streng wordt gecorrigeerd, zelfs al is dat enkel bij het vak Nederlands, met als mogelijk gevolg dat leerlingen blijven zitten dan zou dat toch een voldoende sterke aansporing moeten zijn om alsnog de regeltjes goed te leren en/of deze regeltjes goed te leren toepassen. We hebben het nu niet over complexere taalkwesties waarvoor enig inzicht nodig is (een stel heren heeft/een stel heren hebben, grammaticale structuren herkennen etc.).
Ik herinner me dat zelfs in de laatste 2 jaar van het VWO veel klagenoten dit niet beheersten (niet enkel vervoegingen maar ook gewone spelling (tussenletter-n, c/k, au/ou, ei/ij) en de leraar dan maar de norm aanpaste.
We begrijpen het allemaal niet,…
….maar toch gebeurt het.
Er zijn vele onderzoeken naar gedaan, om met BenWilbrink te spreken.
Aanwijzingen dat de spelling in verschillende landen te moeilijk is geworden, hebben we pas uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Dan pas, maar dan ook meteen overal. Overal zien we dat de spelling achteruit gaat.
Al rond 1900 werd de spelling nodeloos moeilijk gevonden, maar er werd in het onderwijs aan gewerkt en het lukte leerlingen de spelling rond hun dertiende jaar onder de knie te krijgen. Na 1950 lukte dat al minder. Ook in Frankrijk en Engeland zien we tussen 1950 en 1970 dezelfde problemen.. Dat was nog maar het begin.
In de laatste tien of twintig jaar wordt overal massaal duidelijk dat het niet meer lukt, en de schuld wordt aan het onderwijs gegeven.
De standaardspelling, ooit een van de paradepaardjes van de Renaissance, heeft zijn langste tijd gehad. In geheel Europa.
Spellingscrisis…
In de tweede helft van de twintigste eeuw werd alom vastgesteld dat de spelling minder werd.
Er werd een proef op de som gedaan (Désirat en Hordé 1988).
Men liet bij het toelatingsexamen voor de middelbare school, kinderen à l’âge de treize ans, hetzelfde dictee maken als wat in 1950 was gebruikt. De uitkomst was onthutsend. Terwijl in 1950 een grote meerderheid een voldoende haalde (44 op 59 en 49 op 51), was in 1970 nog slechts een minderheid daartoe in staat (28 op 84 en 25 op 98).
De getoetste kinderen hadden in principe allemaal dezelfde basisschool doorlopen. In de jaren daarna werd het alleen maar erger.
De onderzoekers spreken van ‘een spellingscrisis’.
Désirat en Hordé 1988 ??
Hannie,
Ik kan de publicatie van Désirat en Hordé 1988 niet traceren. Ik vind het resultaat dat zij rapporteren, zoals hierboven samengevat, niet zonder meer overtuigend, vandaar dat ik ben gaan zoeken naar de publicatie waarop dit berust. Heb je meer gegevens hierover?
Ik vermoed dat Désirat en Hordé (1988) de tweede editie is van hun boek uit 1976 La Langue française au 20e siècle. Maar daar staat waarschijnlijk geen oorspronkelijk onderzoek in. Zoals bovenstaande reactie aangeeft, zijn er in de literatuur mogelijk meer historische gegevens te vinden over spellingprestaties. In het geval van de resultaten uit 1928 ben ik wel benieuwd hoe leraren Nederlands die zien, vergeleken met wat bijvoorbeeld 13-jarigen van vandaag in het voortgezet onderwijs zouden presteren (op hetzelfde dictee, of op een versie van dat dictee waarin het antiek is vervangen door hedendaags).
Spellingcrisis 1928
De Commissie van Onderzoek en Advies inzake de aansluiting van lager en voortgezet onderwijs, benoemd door burgemeester en wethouders van ‘s-Gravenhage (1928). De aansluiting van lager en voortgezet onderwijs. Groningen: Wolters.
Hiervoor was 50 minuten tijd. Het ontbreken van de naamvals-n is niet als fout aan te rekenen. Foutieve interpunctie ook niet als fout tellen. Bij 0-2 fouten cijfer 3, 3-5 fouten cijfer 2, 6 fouten of meer cijfer 1.
crisis, so what?
Dat er altijd lieden zjn geweest die gewezen hebben op ondermaatse kwaliteit: juist dat bewaakt de kwaliteit.
Crisissen in het verleden werden echter door vernieuwers anders gebruikt: zij dienden de eenvoudige onderwijzer ervan te overtuigen dat zijn rode strepen en zijn beoordelingen vooral buitengewoon gerelativeerd moesten worden; de historie zou doen blijken dan zijn onvoldoendes in toekomstig verband een lachertje waren: hij moest dus niet zo streng zijn, want zijn strengheid zou hem vroeg of laat in de geschiedenis tot een abnormaliteit verlaren. Precies zoals het bestraffen van linkshandigheid later absurd was gebleken te zijn.
Het heeft enige tijd geduurd voordat ik de onzin hiervan heb doorzien.
Anno 2010 is het de eenvoudge taak van de onderwijzer zijn pupillen de spelling anno 2010 aan te leren. Dat is zijn taak anno 2010. Wat de toekomst eventueel zal veranderen, daar heeft hij anno 2010 verder niets mee te maken.
Hij moet zeker NIET de pretentie hebben dat hij de toekomst kan vormen door NU alvast maar geen eisen meer aan de spelling te stellen. Dat laatste is echter maar al te vaak het geval geweest: het venieuwende wan-onderwijs zou gaan bijdragen aan een heel andere toekomst: een toekomst die p zijn minst op zijn kop zou zetten wat de huidige bourgeoisie had gerealiseerd.
Een nieuwe middeleeuwen (1)….
Augustinus beschrijft ergens in zijn ‘Confessiones’ hoe hij samen met anderen zich verbaasde over de manier van lezen van een zekere Ambrosius. Iedereen kon dat zien, want de deur van Ambrosius’ cel stond altijd open:
“Wanneer hij las, gingen zijn ogen over de bladzijden en zijn hart doorzocht de betekenis, terwijl zijn stem en tong rustten. Dikwijls, wanneer wij erbij waren, want het was niemand verboden binnen te komen, en het was ook niet de gewoonte iemand aan te dienen, zagen wij hem zo zwijgend lezen en nooit anders.”
Ambrosius las dus zonder dat je het kon horen. Ambrosius las dus zoals wij lezen, maar de middeleeuwer niet. De middeleeuwer las hardop. Stille lezers waren uitzonderingen.
De middeleeuwse taal was bestemd voor het oor, het was een luistertaal.
De renaissancistische taal was bestemd voor het oog. Men ging massaal stil lezen in de Renaissance. Dat is een opmerkelijke verandering, die nauw samenhing met een ander soort spelling. De taal van de Renaissance was visueel.
Na de periode van de Middeleeuwen, waarin de spreektaal zegevierde over de schrijftaal, het Latijn, dat slechts voor een kleine groep geleerden was weggelegd, brak er in de Renaissance een tijdperk aan, waarin de schrijftaal de boventoon voerde en de daaraan gekoppelde spelling de spreektaal sterk zou beïnvloeden.
In onze tijd lijkt het proces zich weer om te draaien richting het middeleeuwse model met meer aandacht voor de gesproken taal.
Een nieuwe middeleeuwen (2)…..
Leerden wij op het gymnasium volgens het renaissancistische model nog eerst de woordjes, de grammatica en eenvoudig geconstrueerde Latijnse zinnen en werden we pas later losgelaten op de geschriften van Latijnse schrijvers en werd datzelfde model ook toegepast bij het leren van de moderne talen, vanaf de jaren zeventig, bij de invoering van de Mammoetwet, raakten de luistertoetsen in de mode en was dat voorgoed verleden tijd.
“Ik kom nu bij een ander aspect van je brief”, schreef Lord Chesterfield aan zijn zoon, “namelijk de spelling. Als we tenminste slechte spelling spelling mogen noemen. Jij spelt ‘induce’ als ‘enduce’ en ‘grandeur’ als ‘grandure’; twee fouten die maar weinig van mijn dienstbodes zouden maken. Ik moet zeggen dat een correcte spelling, in de ware zin van het woord, zo absoluut noodzakelijk is voor een geletterd mens of gentleman, dat één verkeerd gespeld woord hem voor de rest van zijn leven belachelijk maakt. Ik ken een keurige heer die nooit de schande te boven is gekomen, omdat hij ooit eens ‘wholesome’ zonder ‘w’ geschreven had”.
Dat is nu wel anders. Hoewel ik mijn studenten in het hbo nog regelmatig een lesje d’tjes en t’tjes of voltooid deelwoorden onderricht, met het argument dat de inhoud van wat zij schrijven ongeloofwaardig wordt, als dat niet in correct Nederlands gebeurt, meen ik nu te kunnen concluderen dat we weer richting een nieuwe middeleeuwen gaan, waarin meer plaats is voor het oor dan voor het oog, om wellicht te eindigen in een nieuwe Babylonische spraakverwarring zoals Breughel dat zo mooi geschilderd heeft.
Voorbeeldje van de slechte taalvaardigheid in Vlaanderen
De website www.deredactie.be is in handen van de VRT.
www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/buitenland/100729_Babylijkjes
Er gebeurd nog een DNA-analyse om te controleren of de vrouw en de man wel degelijk de ouders zijn. De vrouw zal ook verder ondervraagd worden.
“Twee heel normale mensen”
De burgemeester van het dorpje Patrick Mercier heeft de pers te woord gestaan over de gebeurtenissen in zijn dorp. De man van het koppel is gemeenteraadslid in Villers-au-Tertre en was al aan zijn derde mandaat bezig. “Hij was een vrijwilliger, iemand zeer gerespecteerd” zei Mercier.
Er staan twee fouten in een paar regels: gebeurD met een d en geen komma achter Mercier waardoor het lijkt dat het over de burgemeester van het dorpje Patrick Mercier gaat in plaats van over burgemeester Patrick Mercier van het betreffende dorpje.
Ik pretendeer niet dat mijn taalvaardigheid perfect is (ik weet dat dat niet zo is) maar van professionele journalisten zou je toch verwachten dat ze zulke taalfouten niet maken.
Volgens mij moet er dan
Volgens mij moet er dan zowel een komma achter dorpje, als achter Mercier.
Hals, interessante conclusie dat we als het ware teruggaan naar waar we vandaan komen. Geeft Van der Horst in zijn boek ook antwoorden op de volgende vragen:
– in hoeverre is deze ontwikkeling een slechte zaak? Of waagt hij zich niet aan dit waardeoordeel?
– in hoeverre is deze ontwikkeling onvermijdelijk?
Dat laatste vind ik interessant omdat ik hoor dat op tal van scholen gewerkt wordt aan taalbeleid (op onze school start vanaf komend schooljaar een taalbeleidcommissie), met als doel de taalvaardigheid van leerlingen te verbeteren. Heeft dit dan wel zin? En wat kan het doel zijn van zo’n commissie als je dit ziet in breder kader, zoals jij hierboven schetst?
Het heeft wel mijn interesse omdat ik me regelmatig zorgen maak over de taalvaardigheid van leerlingen. De spelling en grammatica op toetsen is soms zeer slecht. Ik heb het idee dat zulke slordigheden in de omgang met taal ook leiden tot slordig denken.
Onontkoombaar en weinig tegen te doen…
Natuurlijk geeft Van der Horst daar antwoord op.
Meestal ontaarden dergelijke boeken op het moment dat ze hun eigen tijd naderen in vaag en chaotisch gebrabbel.
Van der Horst houdt de spanning er tot het einde in en trekt heldere en geloofwaardige conclusies.
Maar hij zegt ook dat je je niet zomaar over hoeft te geven, hoewel het hele gebeuren een natuurverschijnsel is, onontkoombaar en weinig tegen te doen.
Hij schrijft ook lezingen te geven en vertelt dat de mensen het allemaal reuze spannend en interessant vinden tot op het moment dat hij de lijn doortrekt en concludeert dat het afgelopen is met het Renaissancistische model (ook in de kunsten, in de gehele cultuur), dan heerst er ongeloof in de zaal en worden er heel wat mensen boos.
De boodschapper heeft het ook in dit geval gedaan….
Ik raad iedereen aan het boek te lezen, omdat het inzicht geeft in de stand van zaken in het onderwijs binnen een grotere context en vele zaken, ook die hier op het forum aan de orde komen, relativeert..
Joop van der Horst, ‘Het einde van de standaardtaal (Meulenhof 2008, vierde druk 2009).
Volgens mij moet er dan
Volgens mij moet er dan zowel een komma achter dorpje, als achter Mercier.
Ik denk het ook.
Zie ook…
Zie ook hier.
De discussie gaat ook in op het boek van Joop van der Horst over ‘het einde van de standaardtaal’ of toch niet.