Het beroepsonderwijs heeft de weg naar de praktijk teruggevonden. In september beginnen zeker vijftien vmbo-scholen met een nieuwe vorm van onderwijs, waarin de eerste klassen tien uur techniek krijgen in plaats van de twee uur die nu gebruikelijk zijn.
Tot voor kort was zo veel aandacht voor techniek onmogelijk. De basisvorming eiste dat er vijftien vakken werden gegeven en liet slechts twee uur tijd vrij voor techniek. De basisvorming is echter enkele jaren geleden afgeschaft.
Het nieuwe onderwijsconcept heet VMBO-Vakcolleges en wijkt op nog twee punten sterk af van het gebruikelijke vmbo. Er wordt zeer nauw samengewerkt met het regionale bedrijfsleven, dat zelfs moet meebetalen. En bovendien wordt het onderscheid tussen vmbo en mbo in feite opgeheven.
Het idee werd deze zomer opgeworpen door de Taskforce Jeugdwerkloosheid, die met name dacht aan technische opleidingen. Maar intussen willen veel scholen het ook toepassen op andere opleidingen. Eén school, het Da Vinci College in Roosendaal, heeft daartoe al besloten.
Tot nu toe was het nog steeds onzeker of de Vakcolleges van de grond zouden komen. De centrale organisatie, die het lesplan moet ontwikkelen, leermiddelen moet maken en contacten tussen scholen en bedrijven zou moeten stimuleren, moest met een half miljoen euro per jaar van het bedrijfsleven worden opgezet. Dat ging moeizaam, maar volgens Martin van Os, directeur van deze centrale organisatie, is het nu vrijwel rond.
Staatssecretaris Van Bijsterveldt maakte deze week een ander experiment voor beroepsonderwijs bekend. Een beperkt aantal scholen mag vanaf september beginnen met een ongebroken leerlijn vmbo-mbo (niveau 2).
(VK)
