Rekenen

Op dit forum werd in het verleden regelmatig van gedachten gewisseld over rekenen en wiskunde. Ik ben zelf meer van de A-kant, maar ik kan wel rekenen. De wiskunde heb ik op een bepaald moment aan me voorbij laten gaan. Het verschil tussen rekenen en wiskunde in de praktijk is, dat  rekenen een vaardigheid is, die in het dagelijks leven onmisbaar is. Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, tafels, worteltrekken. Dat moet je toch tot op een bepaalde hoogte beheersen, al is het maar  om zicht te houden op allerlei verleidelijke aanbiedingen, die een beroep op je portemonnee doen.  De eigen begroting bijhouden.  Die dingen zijn te leren en de meeste mensen beheersen ze gelukkig nog wel.  Over didactische rekenmethoden heb ik niet zo’n  mening. Als het maar werkt. Gecijferdheid, wiskundig inzicht; laten de deskundigen daarover maar redetwisten. De methode Jan van de Craats spreekt mij wel aan. Gewoon omdat hij  werkt.

De noodzakelijke basis rekenvaardigheden moeten naar mijn idee door goed onderwijs aan het gros van de leerlingen van de basisschool bij te brengen zijn. Althans, zo was dat in het verleden. Ook bij de leerlingen met een minder exacte aanleg. Een percentage ergens van berekenen bij voorbeeld. Kan altijd van pas komen. Daarom was ik nogal verbaasd over een stukje in de Volkskrant van 15 mei van Eva Posthuma de Boer, waarin heel moeilijk werd gedaan over een “wiskunde opgave” op HAVO niveau, die haar dochter voor de kiezen kreeg. Hoe konden ze het arme kind dit aandoen. Mevrouw Posthuma de Boer houdt niet van wiskunde, begrijp ik uit haar verhaal. Ze vindt dat wiskunde een te grote plaats inneemt in het kernpakket ten koste van cultuur en geschiedenis. Dat is een te respecteren mening. Mijn verbazing betrof echter niet haar zienswijze, maar de opgave, die tot zo veel wanhoop bij haar dochter geleid had. Die bleek namelijk niet meer in te houden dan de berekening van een  percentage, dat de daling van het aantal geitenbedrijven in een bepaalde periode weergeeft t.o.v. een vorige periode. Kortom, wat ik een som zou noemen, die bij het basisarsenaal lagere school, pakweg groep  7 behoort. Rekenen dus. Tot dezelfde conclusie kwam de volgende dag  de schrijver van een ingezonden brief.  Er worden cursussen aangeboden waarmee de gemiddelde basisschool leerling gegarandeerd zich  het gehele basisarsenaal aan rekenvaardigheden eigen kan maken. Als dit mogelijk is, waarom dan niet op school?

Je kunt natuurlijk het lerarentekort de schuld geven. Aleid Truijens vindt dat in haar wekelijkse column een gemakzuchtige verklaring. Dat lijkt mij ook. De niveaudaling strekt zich uit over een veel langere periode dan die van het manifest geworden lerarentekort. Eerder het omgekeerde is er aan de hand. Leraren en onderwijzers verlaten  vroegtijdig het onderwijs, omdat ze worden  belemmerd  in hun professionaliteit, in de wielen  gereden door allerlei ondeugdelijke opgedrongen lesmethodes, opgezadeld met grote heterogene groepen en afgescheept met een onvoldoende salaris in vergelijking met andere mogelijkheden op de arbeidsmarkt.* Om dat gecreëerde lerarentekort te bestrijden worden de opleidingseisen van lieverlede dan maar verlaagd en de leerstof bijgesteld. Zo kom je in een neerwaartse spiraal. Een schrijnend voorbeeld vind ik het voorstel van het ontwikkelteam Curriculum.nu om het rekenen met formele breuken uit het lesprogramma te schrappen. Deskundigen als  Marcel Schmeier hebben zich  hierover al kritisch uitgesproken. Ik vraag me af wat vernieuwers toch tegen de breuken hebben. Met de staartdeling de zwarte piet van de hervormers.  De hetze is niet van vandaag of gisteren.**Het hoort tot het vaste repertoire van het nieuwe leren, dat nog lang niet uitgerangeerd is.

Dat blijkt ook uit het veelbesproken discussiestuk “De toekomst van het onderwijs”, waarin  in samenhang met een pleidooi voor een latere selectie, gepersonaliseerd, modulair, flexibel en gedigitaliseerd en zelfsturend onderwijs wordt voorgesteld. Zo koppel je het wenselijke doel van  meer kansengelijkheid in één moeite aan een omstreden visie op onderwijs, die weliswaar de term groot onderhoud gebruikt, maar die neerkomt op een totaal loslaten van de bestaande institutionele vormgeving zonder dat de noodzaak daarvan wordt aangetoond. Er is alleen een lokkend toekomstbeeld, een stip aan de horizon, een droombeeld verpakt in veel wollige woorden. Verder  ankerpunten, die daarheen zouden moeten leiden en een indrukwekkende lijst van aangehaalde literatuur, die niets meer aantoont dan dat hij lang is. Het hele stuk is duidelijk afkomstig uit de wereld van de consultants. Het utopische slotpleidooi is van de hand van Albert Strijker, die als bestuursvoorzitter van scholengroep Dunamare destijds, niet tot genoegen van iedereen, Pim Pollen en zijn CBE binnenhaalde, hofleverancier van consultants, trainingen en trajecten zoals de Volkskrant destijds schreef.*** Het thema van een eventueel latere selectie verdient een betere behandeling.

Succesrijk onderneemster Annemarie van Gaal biedt in de Telegraaf van 20 januari een wel heel elegante oplossing voor het lerarentekort. “Problemen zijn er om te worden opgelost”, schrijft ze. Dat vind ik ook.  Het gebrek aan leraren zou volgens haar kunnen worden opgevangen door mensen uit de buurt, die vanuit hun passie iets te vertellen hebben. De school zou een lijstje kunnen aanleggen van mensen, die in geval van het ontbreken van een leerkracht kunnen worden opgeroepen. “De beste leraren zijn leraren, die hun passie delen”. Dat kunnen de Olympische Spelen zijn, de geschiedenis van Suriname, het omroepbestel. Kortom, een eindeloze reeks mogelijkheden als er maar passie achter zit. De bakker vertelt over zijn passie voor brood, de laatste slager hoe je zelf een blinde vink kan maken. Eigenlijk wel een leuk idee, maar een oplossing?

  • Zie Vakwerk, februari 2018

**      Zie blogs van jl hierover.

***    De Volkskrant, 1 juni 2013

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie