Goed onderwijs, goed bestuur

In de Volkskrant van zaterdag legt onderwijsjurist Paul Zoontjens een mogelijk verband tussen de in 2010 van kracht geworden “Wet goed onderwijs, goed bestuur’ en de niet geldige verklaarde einddiploma’s van het VMBO Maastricht. In deze wet wordt beoogd de bestuurskracht te versterken door de bestuurders meer autonome ruimte te geven voor de invulling van hun publieke taak. Een mogelijk gevolg van die toegenomen verantwoordelijkheid, denkt Zoontjens, is dat de inspectie “terughoudend” heeft opgetreden toen de meldingen binnen kwamen. “Als er klachten zijn ingediend bij de school  zouden die ook bij de raad van toezicht  van de koepel terecht moeten komen. Ik kan me voorstellen dat dat de inspectie gedacht heeft: de school moet het eerst zelf oplossen”.

Uit deze casus kan worden geconcludeerd dat de in de wet  beoogde versterking van de bestuurskracht in dit geval averechts gewerkt heeft. Het lijkt erop of de verschillende verantwoordelijken naar elkaar hebben zitten kijken met de vraag: “Wie is her eerst aan zet?”. Als de examenaffaire iets aantoont, zegt Zoontjens, is het hoe het teruggeven van verantwoordelijkheid aan scholen kan falen

In de toelichting op de wet destijds bleek een groot vertrouwen in de capaciteit van bestuurders om met de toegenomen autonomie om te gaan. Belangrijk instrument daarbij is de sectorcode voor goed bestuur. Wanneer wordt afgeweken van de code moet dit volgens het principe “pas toe of leg uit”  worden gemotiveerd. In dit verband heeft de vereniging PO-raad een code goed bestuur vastgesteld, die daarbij kan worden gehanteerd. De kwaliteit van bestuurders van onderwijsinstellingen is van cruciaal belang voor goed onderwijs zegt de toelichting. Bestuurders zelf geven aan dat de kwaliteit van een bestuurder zich vertaalt in het organiseren van tegenspraak. Tegenspraak vormt de basis van de corrigerende mechanismen in het governancesysteem. Het gaat erom de praktijk van de tegenspraak  te versterken o.a. door versterking van de medezeggenschap en stem van studenten, ouders, leerlingen en onderwijspersoneel.

In het  hele verhaal over de ongeldige examens in Maastricht  ben ik de rol van de raad van toezicht en de medezeggenschap nog niet tegen gekomen. Ook is het belang van de code volstrekt onduidelijk. Het bestuurlijk falen werd niet tijdig gecorrigeerd. Van georganiseerde tegenspraak in de vorm van kritisch volgen door het toezicht is niets te merken. Klachten werden genegeerd of op de lange baan geschoven en kwamen kennelijk niet aan bij het toezicht.  Uiteindelijk moest er een klokkenluider aan te pas komen. Ouders houden terecht de inspectie, ondanks de wetgeving, medeverantwoordelijk voor dit echec.

Bij een onderzoek naar de rol van de inspectie zal uitdrukkelijk de werking van de “Wet goed onderwijs, goed bestuur” moeten worden meegenomen. Hoe zit dat bij andere onderwijsinstellingen? Is hier alleen maar sprake van een incident? Werken de corrigerende mechanismen in het governancesysteem wel zoals die in de wet beoogd worden. En uiteindelijk de vraag aan de politiek of er niet nog eens goed naar de wet zelf moet worden gekeken.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie