CPB

Eén van de bevindingen in een recent rapport van het CPB is, dat een verbod op zittenblijven geen positief effect geeft, eerder het tegenovergestelde. Ook een verlenging van het schooljaar met één week zet weinig zoden aan de dijk. Zitten blijven is in een aantal gevallen onvermijdelijk. Maar doubleren levert weinig leerwinst op en is dus in principe onwenselijk. Een gerichte zomerschool voor leerlingen met een beperkt aantal tekortkomingen levert wel wat op en is kostenbesparend.

De stelling, dat klassenverkleining geen positief effect heeft op de leerprestaties wordt in het CPB rapport niet onderschreven. Klassenverkleining is vooral zinvol in het basisonderwijs, bij achterstandsleerlingen en bij beginnende docenten. In het kader van passend onderwijs lijkt me klassenverkleining heel urgent. Volgens recente berichten  blijkt, dat 70 % van de leraren vindt, dat “gewone” kinderen in het passend onderwijs  de dupe zijn, omdat ze te weinig aandacht krijgen. Maar dat geldt ook voor kinderen, die extra ondersteuning nodig hebben. Alle partijen, docenten en directeuren zien in, dat kleinere klassen en meer handen in de klas één van de voorwaarden is om hier wat aan te doen. Maar dat kost volgens het CPB wel erg veel (1 tot 2 miljard euro) geld.

En dan is er de discussie homogene of heterogene klassen. De conclusie van het CPB, die het meeste aandacht trok en ook het meeste is aangevochten, luidt dat homogene klassen beter werken dan heterogene. Homogene klassen zouden voor alle groepen leerlingen het beste zijn. Een bom onder het  passend onderwijs? Jawel, als je dit in relatie ziet met de discussie over de klassengrootte. De negatieve effecten van grote klassen en heterogene samenstelling lijken elkaar daar te versterken. Volgens Sander van Walsum in de Volkskrant zijn parallelklassen in strijd met de sociale opdracht van het onderwijs. Dat is één kant van de zaak.  Maar moeten dan de goeden maar onder de kwaden leiden?  Neen, volgens Van Walsum, want het probleem is niet de verscheidenheid in niveau, maar de rigiditeit van het klassensysteem zelf, dat onderwijs op maat onmogelijk maakt. De klas moet daarom niet worden opgesplitst in parallelklassen maar gezien worden als de som der per leerling onderling verschillende delen. Totale individualisering dus. Hoe dit dan verder aangepakt moet worden vertelt Sander niet.  Een soort vrije school voor iedereen. Prima, maar daarmee redeneer je de  problemen niet zo maar weg.

Kiezen voor een vlucht naar voren en je heil zoeken in een omverwerping van het hele systeem. Waar hebben we dat eerder gezien? Dromen over een mooie toekomst, zoals bij Onderwijs 2032 belemmeren het zicht op actuele, urgente problemen. De discussie over het passend onderwijs heeft, net zoals de discussie over homogene of heterogene klassen,  een sterk ideologisch en emotioneel karakter. Je kunt, zoals Aleid Truijens doet, de “wreedheid” van een vroege selectie aanklagen, maar hoe onrechtvaardig is het tegenover de betere leerlingen als ze gedwongen worden zich aan te passen aan een te laag gemiddeld niveau? En hoe verhoudt zich dat tot het met vuur  beleden streven naar excellentie? De vraag, die naar mijn idee nog te weinig gesteld is aan de onderzoekers is deze: “Welke voorwaarden zijn er minimaal nodig om passend onderwijs tot een succes te maken?”. Zodanig, dat zowel zwakke, problematische als betere leerlingen aan hun trekken komen. Een analyse in samenhang. En dan niet vrijblijvend utopisch het hele bestaande onderwijssysteem even zo inrichten, dat alles op papier en in de hoofden van de hervormers klopt, maar realistisch binnen de mogelijkheden.

Een conclusie in het CPB verhaal, die mij verder opviel is: “Hogere cognitieve vaardigheden van docenten maken geen verschil”. Deze bevinding  zou misschien gebruikt kunnen worden door het soort onderwijskundigen, dat zegt dat kennis ( kun je opzoeken) minder belangrijk is dan presentatie. En tot misverstand leiden bij degenen, die zo’n conclusie niet in zijn context kunnen lezen. Want een vakkundig goed opgeleide docent is essentieel. Onvoldoende vakkennis bij “vlotte” leraren is  rampzalig.  De meerwaarde van vakkennis telt pas boven een bepaald niveau misschien niet meer mee. Maar hier zit ook het pijnpunt, dat van leerlingen niet meer zo veel gevraagd mag worden en dat een onderwijzer of leraar meer een entertainer lijkt te moeten zijn dan iemand, die de jeugd qua kennis en denken naar een hoger niveau tilt. Enfin, het bekende verhaal.

Op dat CPB rapport zal methodisch van alles aan te merken zijn. Die kritische benadering is nodig. Helaas leidt dat  in de media af van een inhoudelijke discussie en krijgen we weer eens  een "methodestrijd"  tussen dames en heren, die elkaar al jaren in de haren zitten over de hoofden van de onderwijsgevenden heen. Relevant voor de praktijk is in eerste instantie niet  wie methodisch en onderzoekstechnisch binnen een beperkt kader gelijk heeft, maar de mogelijke toepassing. Daarbij kan men andere belangrijke interveniërende factoren niet negeren. Toch is men te vaak geneigd een absolute waarde toe te kennen aan het eigen standpunt. 

4 Reacties

  1. Verkroost geeft een

    Verkroost geeft een uitstekende reflectie op het rapport. Elders (dit foum : CBP : homogene klassen werken beter @ 20 juni, mijn repliek @ 24 juni) heb ik me, ironisch, ja honend uitgelaten over het CBP. Ik denk nog steeds dat het CBP verre van bekwaam is in onderwijszaken, didaktiek of pedagogiek, of ook maar school-organisatie   –  er zweeft een arrogante air om het idee dat CBP in deze enige bekwaamheid zou hebben. Maar : tellen kunnen ze wel, geld tellen ook  –  en zich laten horen, dat kunnen ze ook.

    Dan is het spijtig dat het CBP, naast veel details van interesse, de informatie niet tot het eind heeft doorgewerkt, dat is : de financiele analyse heeft vermeden  –  tewijl dat juist de "bone of contention" is, de hoofdprijs ; en bij uittek iet waarin het CBP wel capabel is. Dat zulke conclusies controversieel zijn, heeft het CBP (in andere zaken) nooit weerhouden om zich uit te spreken. Zoals het nu is, is er veel informatie doorgewoeld, zonder tot iets praktisch-bruikbaars te geraken. Zonde van het geld dat het gekost heeft, van de toch niet geringe wek-hoeveelheid, de engagement van velen. Maar vooral  :  hoe gaat voorkomen worden dat "vrijgestelde" (want openbare financien) instanties doorgaan met het produceren dergelijk half-onbekwaam werk ? 

    Die vraag is ook interessant v.w.b. al het advieswerk, door het  MvO getenderd, ook v.w.b. de adviesraden en sateliete commissies waarmee de minister zich heeft omringd. Het is te begrijpen dat al dat werk wat kost  –  maar wie of wat houdt het kritisch oog op de verantwoording voor ondernomen taken en zaken ?       

  2. Naast de geconstateerde

    Naast de geconstateerde problemen doemt er een nieuw probleem op dat ook in onderwijs 2032 niet is aangesneden.

    Hoe gaan we om met de taalachterstanden en cultuurverschillen van instromende vluchtelingen; de volwassenen, hun gezinsleden, hun kinderen. Passend onderwijs? 

    Licht aan de onderwijshorizon zie ik nog steeds niet verschijnen. Misschien toch maar 'back to the basics'?

     

  3. In elk geval, Hendrikush,

    In elk geval, Hendrikush, moeten we er voor zorgen dat de pogingen om die nieuwe problemen op te lossen niet weer ten koste van intelligente gemotiveerde leerlingen gaan.

    Veel ouders zouden veel beter voor de scholing van hun kinderen kunnen zorgen als ze een plaatsing op een school zouden kunnen inruilen voor  een voucher waarmee zij hun eigen kind passend onderwijs zelf kunnen verzorgen. Thuisonderwijs, afstandonderwijs, een met andere ouders op te richten schooltje etc. Voorwaarde daarvoor is dat een kind binnen de tijd die daarvoor staat een diploma haalt dat door het vervolgonderwijs erkend wordt. Bij voorbeeld toelating tot het gymnasium en in een later stadium interntionaal bachalauréat of Abitur (Hochschulreife). Ouders moeten zich kunnen verzekeren tegen mislukking omdat (een deel van) de geldwaarde van de vouchers door de overheid kan worden teruggevorderd. Wat zou het een verademing zijn als de overheid zó tolerant zou worden!

     

     

     

  4. Maar mag die ‘zomerschool’

    Maar mag die 'zomerschool' dan wel een stoomcursus aanbieden volgens traditioneel recept? Of moet ook die zomerschool volharden in vrijblijvendheid. In het eerste geval zie ik wel een succes voor de 'zomerschool', maar vraag ik mij tegelijk af waarom dit succesvolle concept niet in het reguliere onderwijs toegepast mag worden.

    In het tweede geval zie ik in de zomerschool een korte verlenging van het mankement dat al leidde tot de uitval van sommige leerlingen.

    Want ik volhard ik mijn opvatting dat de vele 'vernieuwingen' vooral de zwakkere leerlingen lieten stikken in het eigen moeras, onder de klinkende titel "het kind centraal op eigen niveau". 

Geef een reactie