Daar is hij weer: de middenschool

Jos van Kemenade

Jos van Kemenade

door J.C. Traas

Er is de laatste tijd een heftige onderwijshype gaande, die betrekking heeft op de ongelijkheid van kansen in of door het onderwijsstelsel. Men neemt waar – althans dat wordt gezegd door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) – dat Nederland sociaal en cultureel uit elkaar groeit: hoog- en laagopgeleiden leven steeds meer in een eigen wereld. De meeste journalisten en ook de meeste politici menen dat dit ongewenst is: zij vinden dat er een halt moet worden toegeroepen aan deze ‘tweedeling’. De woordvoerder van de ChristenUnie meent zelfs dat er ‘een aanvalsplan tegen ongelijkheid’ moet komen.

Zeven fractieleiders – PVV-leider Wilders wilde niet meedoen – geïnterviewd door NRC Handelsblad, zijn het erover eens dat de strijd tegen de ongelijkheid moet beginnen met beter onderwijs (23 april 2016). Al snel wordt als oplossing een latere selectie voor het voortgezet onderwijs genoemd. Het woord ‘middenschool’ wordt niet gebezigd maar wel bedoeld.

In een ander artikel in dezelfde krant wordt bepleit ‘de meerjarige brede brugklas weer in ere te herstellen’ en de categoriale scholen (bijvoorbeeld gymnasia) een halt toe te roepen. En venijnig wordt daaraan toegevoegd: “Dat gaat niet vanzelf! Daar moet de politiek stevig op sturen.” De kop van dit artikel (geschreven door Mariska Mulder, Hubert Schakenbos en Jan van Zijl) luidt: ‘Vroege selectie in onderwijs is het echte probleem’. Al met al is er wel aanleiding enkele kritische noten te laten horen. Als men meent dat Nederland sociaal en cultureel uit elkaar groeit, met welke tijd vergelijkt men dan? Met de tijd van Troelstra, met die van Drees, Den Uyl of Kok? Welke mate van tweedeling is acceptabel?

Je kunt er geloof ik alleen maar van zeggen dat die twee- of meerdeling er altijd geweest is en dat pas toen er algemeen wat meer welvaart kwam – na de Tweede Wereldoorlog – het onderwijs voor grote groepen een vehikel werd voor opwaartse sociale mobiliteit. In het boek Het verborgen talent van hoogleraar sociologie Frederik van Heek (1968) wordt er al op gewezen dat er grenzen zijn aan de ‘reserves’ aan potentieel talent.

Maar goed, niemand zal ontkennen dat het aantal hoogopgeleiden buitengewoon gegroeid is in de tweede helft van de vorige eeuw. En nu komt het merkwaardige: de ladder die daarbij gebruikt is, is het vermaledijde categoriale systeem! Ook het ‘oude’ systeem met de ambachtsschool en de HBS was al dienstig aan die sociale stijging en daarna het systeem zoals wij dat in grote lijnen nog hebben. Het verhaal is bekend: aan het begin van de jaren zeventig kwam minister van Kemenade met zijn middenschoolplannen – terwijl het Mammoetsysteem nog maar juist was ingevoerd. Er werd met enorme intensiteit en felheid gediscussieerd met als inzet ‘gelijke kansen’. De middenschool moest alle toen bestaande schooltypen vervangen, en uiteraard ook het gymnasium, een schooltype dat in de jaren vijftig en zestig helemaal niet zo bloeide.

Maar kijk wat er gebeurt als de overheid onderwijsvernieuwingen dwingend oplegt, zonder goede redenen: ouders gaan naar oplossingen zoeken om hun eigen weg te gaan. Dat de gymnasia klein waren, werd nu een pluspunt en zo was het overheidsbeleid in plaats van de doodsteek een reddingsboei voor hen. Op dezelfde manier werd door het hameren van de overheid op een heterogene en verlengde brugperiode juist bereikt dat tal van goedwillende scholen zich genoopt voelden homogene brugklassen te formeren en hun vmbo-klassen apart te huisvesten, omdat dit beter in de markt lag en meer leerlingen trok.

Het kan nog erger! Bijvoorbeeld in Engeland. Daar werd in de jaren zeventig na jarenlange strijd een ‘comprehensive’ onderwijssysteem ingevoerd. En dat had tot gevolg dat het type onderwijs dat het meest de bevoorrechting dient, namelijk het particuliere onderwijs, tot hernieuwde bloei kwam. Echt, ouders liggen krom om hun kinderen naar zo’n school te sturen. In de Verenigde Staten is het niet veel anders.

Waarom duikt die discussie dan toch elke keer weer op? Omdat het voor degene die het onderwijs niet kent en die geen zin heeft om na te denken, allemaal zo simpel lijkt: we gaan gelijke kansen bieden, we zorgen voor uitstel van studiekeuze en zo nodig voor differentiatie binnen klassenverband. We geven de leraren gewoon de kans niet om de kinderen naar een ‘lagere’ schoolsoort te verwijzen! We gaan opstaan tegen het zittenblijven en we schaffen de eindexamens af!

Zo ongeveer werd er in de jaren zeventig geredeneerd. De onderwijskundigen, toen nog een nieuw soort intellectuelen die zich voordeden als vertegenwoordigers van een serieuze wetenschap, kwamen met stapels geschriften en documenten waaruit bleek – ja, wat bleek daar allemaal uit: alles wat de voorstanders politiek gezien goed van pas kwam.

Het Weekblad voor Leraren bood plaats voor serieuze argumenten. Zo had het in 1974 (jaargang 6, de nummers 30, 32 en 36) een interview met prof. dr. A.D. de Groot, toen een van de gezaghebbendste psychologen in ons land. Over intelligentieverschillen: “Dat die verschillen in een eigenschap als intelligentie – in onze cultuur zo essentieel – zo groot zijn, en dat zij voornamelijk door erfelijkheid worden bepaald, en dan een statistisch verband vertonen met de sociale klasse waarin je toevallig geboren bent, dat zijn in onze tijd impopulaire bevindingen die niemand zinnen maar het is wel zo. We zouden dat allemaal voor ons gevoel graag anders willen hebben: ‘eerlijker’, ‘rechtvaardiger’ verdeeld.”

En dat de school geen geschikt middel is om de sociale ongelijkheid te verminderen of op te heffen, was voor De Groot ook wel duidelijk. Interessant, in het licht van de hedendaagse discussie, 42 jaar later, was een vraag over ‘sociale integratie’: “Heel vaak is ook genoemd het bevorderen van de sociale integratie. Het deed daarom verrassend aan dat minister Van Kemenade op de bijeenkomst met leraren op 5 maart in Utrecht hierover zei: ‘Wel, ik moet u zeggen dat ik daar uiterst sceptisch tegenover sta. Ik geloof helemaal niet dat dé sociale integratie in de Nederlandse samenleving tussen de maatschappelijke groeperingen die wij in die samenleving nu kennen of in de toekomst zullen kennen, dat die nu zo geweldig bevorderd wordt door het feit dat mensen bij elkaar op school zitten. Dat gaat van de oude sociaalwetenschappelijke hypothese uit dat naarmate mensen meer contact met elkaar hebben, zij elkaar beter zouden begrijpen, dat is helemaal niet waar.’” De Groot is verrast door dit antwoord van Van Kemenade. Hij ziet wel degelijk gunstige effecten van een samen optrekken van leerlingen van verschillende afkomst en intelligentie: “Ik geloof natuurlijk ook niet dat ‘alle Menschen Brüder’ worden. Maar ik zie wel dat een zeer groot aantal sociale misverstanden en niet te vergeten, onrealistische sociale en politieke ideeën voortkomen uit gebrek aan begrip voor ‘andersdenkenden’, in de zin van mensen die qua intelligentie, leer- en abstractievermogen, belangstelling, hobby’s, gewoonten sterk afwijken van jezelf. De zaak is dat je als leerling in een categoriaal systeem met zulke jonge mensen na de basisschool haast geen contact meer krijgt: je ziet ze niet meer, je krijgt de kans niet meer om ze te leren begrijpen door iets met ze samen te moeten doen.”

Had Van Kemenade gelijk of toch eerder De Groot? Misschien is het antwoord te vinden in het dubbeldikke themanummer van De Groene Amsterdammer van 21 april, met op de omslag de tekst: ‘Generatie apart – Andere buurt, andere sportclub, andere school: kinderen van hoog- en laagopgeleide ouders komen elkaar niet meer tegen’. Dit nummer, niet minder dan 120 pagina’s, met zo’n dertig artikelen, is zeer de moeite waard.

Om op het voorgaande terug te komen, interessant is een artikel over een basisschool in Kreuzberg in Berlijn. Deze wijk, waar veel migranten wonen, is centraal gelegen en heeft mooie ‘Altbau’. Daarom is hij ook aantrekkelijk geworden voor jonge intellectuelen. Een idealistische directrice wist te voorkomen dat haar basisschool helemaal ‘zwart’ werd door ook kinderen van hoogopgeleide ouders aan te trekken. Er is succes geboekt, maar er dient zich een nieuw probleem aan: “Met de komst van al die intellectuelen blijken veel lager opgeleide Turkse ouders zich niet meer op hun gemak te voelen.” Ze wonen nog wel in de wijk, maar ze kiezen nu eerder voor scholen met meer migranten.

Bij Nederlandse politici is er ook het streven naar ‘gemengde’ scholen. PvdA-leider Diederik Samsom bezocht een ‘goed gelukte’ gemengde school (NRC Handelsblad, 23 april 2016). “Kom maar eens mee, zei de directeur in de pauze. Vanaf het balkon zag je de groepjes zitten: zwart, wit, zwart, wit.” Wie het onderwijs van binnenuit kent, weet dat die scheiding haast onvermijdelijk is.

De artikelen in De Groene laten tevens zien dat ook de idealistische voorstanders van ‘gelijke kansen’ voor hun eigen kinderen, als het erop aankomt, toch opportunistisch het ‘beste’ kiezen, eventueel met extra geld en begeleiding.

Dus, laten we er nu eerst maar eens voor zorgen dat alle kinderen, ook de minder bevoorrechten, kunnen profiteren van uitstekend onderwijs. En daarbij hoort uiteraard ook dat er, voor degenen die niet op het juiste spoor zitten, goede overstapmogelijkheden voorhanden zijn.

3 reacties op Daar is hij weer: de middenschool

  1. Arthur van Schaik // 23 mei 2016 om 10:28 // Beantwoorden

    Kategoriaal met – essentieel – goede overstapmogelijkheden. Ik heb het voorrecht gehad om begin jaren zeventig gebruik te kunnen maken van het `stapelen’ (MULO, Kweekschool, M.O., universiteit). Later werd dit onmogelijk gemaakt om het onderwijs `efficienter’ = goedkoper te maken.

  2. Seger Weehuizen // 3 juni 2016 om 09:29 // Beantwoorden

    “we gaan gelijke kansen bieden, we zorgen voor uitstel van studiekeuze en zo nodig voor differentiatie binnen klassenverband”. Kies je voor indoctrinatie of stel je het recht van alle leerlingen boven alles? Met die “differentiatie in klassenverband” heb je bij lange na niet aan de eis voldaan dat intellignte leergierige leerlingen het best realiseerbare bij hen passend onderwijs krijgen. Eerlijke pogingen om dat differentiëren in klassenverband te verbeteren zouden tot een enorme kostenexplosie leiden en dat zal dus niet gebeuren. Voorstanders van passend onderwijs in de ruimste zin moeten zich dus met hand en tand tegen de invoering van inhomogene klassen verzetten.

  3. Jon Wieringa // 3 juni 2016 om 15:48 // Beantwoorden

    In de negentiger jaren reeds zei staatssecretaris Nuis: “Mijn grootste probleem is dat Kamerbreed het idee heerst dat op onderwijs nog veel bezuinigd kan worden.” Dit probleem werd gecombineerd met lumpsum-beleid via afstandelijke besturen, die geneigd waren ofwel te grote reserves te maken, ofwel bestuurssalarissen te verhogen, terwijl de leraren in schaal 12 teruggeplaatst werden naar schaal 10, nauwelijks assistentie kregen en overmatig veel tijd moesten besteden aan controlerapportage. Zolang dit beleid duurt is voor de overwerkte leraar of onderwijzer zijn onderwijstaak slechts redelijk uitvoerbaar in vrij homogene klassen. Een niet-homogene klas kan alleen met enige assistentie goed gehanteerd worden. Het bovenstaande is voor de eenvoud beschreven voor middelbaar onderwijs, maar voor basisonderwijs en hoger onderwijs geldt hetzelfde.

Laat een reactie achter op Arthur van Schaik Reactie annuleren

Uw e-mailadres zal niet worden gepubliceerd.


*