Jan kan naar de havo!

JCTraasv2.jpg

Men denke niet dat de uitkomsten van het Inspectieonderzoek dat afgelopen week een belangrijke plaats kreeg in het nieuws, werkelijk nieuws zijn. Al dertig, veertig jaar geleden waren schooladviezen en overgangsbeslissingen van school tot school verschillend, mede afhankelijk van de bekwaamheid en de integriteit van de adviesgevers.

Ik herinner mij de hoofdonderwijzer van een kleine openbare school in de provincie. Hij had een leerling een vbo-mavo advies gegeven. Waarschijnlijk op goede gronden, maar een ‘notabele’ dame uit het dorp die paar jaar pedagogiek had gestudeerd, ontfermde zich over de jongen en zei dat Jan best naar de havo kon. Daarbij dreigde nog dat de betreffende leerling zou overlopen naar de concurrerende christelijke school!

Tja, dat zijn heel vervelende problemen. En vooral voor degenen die zo’n advies gewetensvol willen geven. Degenen die een ‘lager’ advies geven zijn in de ogen van de buitenstaanders immers bijna per definitie ‘fout’. Want havo-vwo is nu eenmaal beter dan beroepsonderwijs.

Volgt de inspectie ook de verdere schoolloopbaan van de leerlingen? Daarover heb ik niets gelezen. Heeft de inspectie ook nagegaan hoe groot het aantal der hoger opgeleiden is dat geen baan kan vinden op het hogere niveau? Wat is de prognose voor al die hoogopgeleiden?

Als het mbo over de hele breedte zo goed was als het zou kunnen zijn – dat laat nog te wensen over – zou het  eens afgelopen moeten zijn met de negatieve beoordeling van dat onderwijs.

Maar toegegeven: het is gewenst dat de resultaten van scholen en de daarop gebaseerde adviezen niet te ver uiteenlopen. Wat daar voor nodig is wenst men echter niet te doen in Nederland. Nodig is dan namelijk uniformiteit in lesprogramma’s, aantallen lesuren, bevoegdheid van leerkrachten, gelijke exameneisen, onafhankelijke beoordelingen.

In feite moet men dan terug naar het systeem van vóór de Mammoetwet. Ook de onderwijzers en leraren moeten ‘gelijker’ zijn , d.w.z. voldoen aan hoge eisen wat betreft hun algemene en specifieke kennis.

Maar zoals gezegd, dat wil men allemaal niet in ons land. En zo doet zich nu al jaren het feit voor dat het regeringsbeleid bestaat uit pappen en nathouden, het bedenken van onnozele projecten en plannetjes, terwijl de werkelijke problemen niet worden aangepakt. De Inspectie zou dat moeten weten maar speelt ook haar rol mee in het spel der illusionisten.

 

J.C. Traas

1 Reactie

  1. In de tijd dat ik school ging en leerlingen na de basisschool een toelatingsexamen moesten doen om naar de HBS of het Gymnasium te mogen was het zeker zo dat leerlingen die een twijfelgeval waren voor vwo-geschiktheid eerder in een voorbereidingsklas voor dat examen kwamen wanneer hun ouders hoogopgeleid waren of tot de bovenlaag behoorden dan wanneer dat niet het geval was. Maar gezien de ard van het toelatingsexamen ben ik wel van mening van de leerlingen die slaagden een veel groter percentage het eindexamen haalden als bij de gezakten het geval zou zijn als de vwo-opleidingen hen ook zouden hebben toegelaten. Het toelatingsexamen beantwoordde dus redelijk aan haar doelstelling: zeef de vwo-geschikte leerlingen eruit. Dat bij gelijke capaciteiten kinderen van laagopgeleide ouders minder kansen hadden voor het vwo uitgelezen te worden was een misstand waaraan men waarschijnlijk een einde had kunnen maken.
    Dat is bij mijn weten nooit serieus geprobeerd. En het hoorde thuis in het systeem van vóór de Mammouthwet dat men achter zich had gelaten. Er is verder ook niet nagedacht over storende factoren. Kinderen van laagopgeleide ouders beginnen met een achterstand. In hoe verre verhoogt cognitief veeleisend onderwijs de intelligentie? Zit er een niet voor alle leerlingen gelijktijdig beginnende groeispurt in het IQ? Hou je intelligente leerlingen beter bij de les als ze bij die intelligentie passend onderwijs krijgen. Of is dat irrelevant omdat de leerling zijn eigen leerproces moet sturen en daarbij zelfstandig kennis en inzicht moet vergaren?
    Waarom zorgde het toelatingsexamen, mits leerlingen tot de voorbereidingsklas waren toegelaten, voor een goede selectie? Omdat de in de voorbereidingsklas behandelde leerstof voor de meeste onderdelen al selectief was. Voor redekundige en taalkundige ontleding was dat het geval. Die waren bovendien belangrijk bij het leren van klassieke talen. De spelling van werkwoordsvormen met hun d en t problemen en hun sterke en zwakke werkwoorden is best wel moeilijk. De rekenopgaven waren niet altijd routineus. Wel was het een probleem dat de leerlingen alles moesten willen begrijpen.

    Dat de basisschool beslist op welk niveau een leerling verder mag gaan is in feite een terugkeer naar de oude situatie waarin het “hoofd der school”, die meestal in de zesde (=laatste) klas de kinderen onderwees besliste welke kinderen verder mochten gaan op het vwo (=HBS en Gymnasium). Dat gebeurde door de kinderen al dan niet toe te laten op de voorbereidingsklas voor het “toelatingsexamen”. Het verschil met het juffenoordeel van nu is dat de vroegere onderwijzers veel beter in rekenen en taal onderlegd waren dan de huidige juffen en intelligentie zonder testen af te nemen konden beoordelen. De “subjectiviteit” van de onderwijzer is door een prestatieregistratieysteem vervangen waarvan de bekroning, de CITO-eindtoets, later weer verwijderd is. Alles was er op gericht om vooral de subjectiviteit van de ouders er buiten te houden. Formeel kunnen die geen bezwaar maken tegen een juffenoordeel maar ze blijken de juffen toch behoorlijk en onbehoorlijk onder druk te kunnen zetten als die juffen naar hun oordeel hun kinderen “te laag” inschatten. Pappen en nat houden. En straks gaat men het weer eens met een middenschool waar kinderen zelfstandig moeten werken, met “passend onderwijs” proberen.
    Als BON als “passend onderwijs” frontaal klassikaal onderwijs aan ongeveer even intelligente kinderen zou plaidoyeren zou zij grote verwarring stichten. Het begrip “passend onderwijs” is door de onderwijshervormers gekaapt. De onderwijshervormers zijn meesters in het gebruik van Newspeak waarbij oude woorden hun betekenis verliezen of een omgekeerde betekenis krijgen en zij trachten, zoals de Big Brother in het boek 1984, op deze wijze een heldere discussie onmogelijk te maken.

    Als we het vwo-eindexamen het toelatingsexamen tot het universitaire onderwijs noemen zien we dat het en gemengd school-extern examen is, dat onlangs meer extern geworden is door een externe eis voor het trio Nederlands-Engels-wiskunde. Het toelatingsexamen voor het vwo was vroeger helemaal extern en is na het schrappen van de cito-toets in het toelatingsproces helemaal intern geworden. Daar zouden ouders en leerlingen geen genoegen mee hoeven te nemen. De cito-toets was sowieso gebrekkig o.a. omdat die niet toegespitst was op de vraag “wel of niet vwo?”.
    BON wil bovendien onderwijs in homogene klassen en vindt dat het niveau van het vwo voortdurend daalt.. Alles bij elkaar zou dat reden voor BON moeten zijn om te pleiten voor een toelatingsexamen vwo-plus. Als je de voorbereidingslessen voor het afleggen van dat examen meetelt zouden intelligente goede gemotiveerde leerlingen al vanaf hun 11-de levensjaar onderwijs op passend niveau in een homogene klas kunnen krijgen. Andere leerlingen kunnen dan via het gewone vwo de universiteiten binnenkomen.

Geef een reactie