Het beste instrument voor integratie van de jeugd is het onderwijs

Ton Notten, Lector ‘Opgroeien in de Stad’ aan de Hogeschool Rotterdam pleit in Opinie & Debat van NRC/Handelsblad van dit weekend voor een grotere rol van het onderwijs in de opvoeding.
Onderstaande is een deel daarvan. Notten spreekt over rampen in het onderwijs.

De overheid bemoeit zich met allerlei morele aspecten van ons leven, zowel in de privésfeer als in de openbare ruimte. Rampzalig, want dat is niet de taak van politici en beleidsmakers.
Laten zij ervoor zorgen dat beroepskrachten hun werk beter kunnen doen.
Het beste instrument voor integratie van de jeugd is het onderwijs.
Daar gebeuren echter dingen die een kenniseconomie zich niet kan permitteren.
Drie vragen: wat is Nederland het onderwijs waard, wie wordt er tot welke vorm van onderwijs toegelaten en wie valt eruit, en hoe werd in de afgelopen decennia het onderwijs vernieuwd?
– Het onderwijs is ons te weinig waard.
Volgens de klassieke OESO-norm zou minimaal 6 procent van het bruto binnenlands product moeten worden besteed aam onderwijs. Europa haalde in 2002 die norm met 5,8 procent niet. Nederland zat daar met 4,8 procent stevig onder. Frankrijk kwam op 5,7 procent, Zweden op 6,7 procent, Denemarken op 6,8 procent. Die percentages moesten volgens het ‘Lissabon 2000’- akkoord jaarlijks groeien. Dat gebeurt bij ons niet genoeg.
Kijk eens naar de bezuinigingen op ons onderwijs tussen 1980 en 2000 over de hele linie.
Matig in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs, extreem in het hoger onderwijs (in het hoger beroepsonderwijs 11,3 procent, en in het wetenschappelijk onderwijs 54 procent).
Moraliserende praat hebben we niet nodig, wel meer middelen en proffesionaliteit.
– Een tweede probleem is de selectie door het voortgezet onderwijs.
Zestig procent van de twaalfjarigen gaat naar het vmbo, dat merkwaardige onderwijstype waar de ene helft van de leerlingen op z’n tenen loopt en de andere helft zich rot verveelt. Van beide groepen ontwikkelt een deel schoolhaat.
Het percentage voortijdige schoolverlaters in Nederland, jongeren die geen startkwalificatie hebben om eenvoudig handwerk uit te voeren, ligt weliswaar onder het EU-gemiddelde (19,7 procent, maar de meeste landen presteren beter. Het aantal 18- tot 24-jarigen dat in 2000 geen diploma in het secundair onderwijs had behaald, bedroeg in ons land 15,5 procent. De uitvalcijfers liggen hoger in de steden, tot 25 procent, en nog weer hoger zijn ze bij het (v)mbo: tot 40 procent in grote steden als Rotterdam.
– In 2001 merkte de socioloog Kees Schuyt op dat de sociale onrust in de maatschappij het sterkst voelbaar is in het onderwijs. “Als het in de maatschappij regent, giet het in de school”, zo vatte hij het samen. Maatschappelijke problemen verscherpen in het onderwijs, en onderwijsproblemen komen het duidelijkst naar voren in grote steden. Ze hebben een zwaar etnisch karakter. Dat lijkt nog niet door te dringen tot sommige bewindslieden die het integratiedebat vanaf heden op het scherpst van de snede willen voeren. Meningsverschillen aanscherpen, en die niet schuwen! Tak! Als ze dat echt meenden dan spraken ze aanhoudend over het onderwijs, dat de stad immers écht tot een emancipatiemachine en een sociale lift kan maken voor voortijdige schooluitvallers en risicojongeren.
Nu krijgen steeds weer dezelfde kinderen steeds weer te weinig kansen. We zien al een amper te overbruggen transgenerationele onderwijsachterstand en de bijbehorende armoede.
We weten hoe belangrijk ouderemancipatie op school is, en ook waar die veelal strandt, zeker in het vmbo; op de argwaan van de amper geletterde ouders over de leerkrachten.
Maar ’t is erger: scholen mijden risicoleerlingen, en confessionele scholen hebben in ons land het grondwettelijk recht om niet-passende leerlingen te weigeren. Ongeveer tweederde van de scholen heeft die macht. Scholen hebben tegenwoordig klanten die ze van dienst moeten zijn. Zulke scholen kennen publieke rangordelijsten waarop ze worden afgerekend, door berekenende ouders en door de overheid als subsidieverlener. Elsevier en Trouw presenteren die lijsten, samen met het ministerie van OCW.
De risicojeugd kent met al dan niet justitiële jeugdzorg, het jeugdbeleid en het onderwijsbeleid drie gevarenzones die zich concentrisch tot elkaar verhouden. De harde kern, de al dan niet rechtens getraliede jeugd, spreekt het meest tot de verbeelding. Bijna zestig jaar jeugdbeleid liep uit op etikettering en stigmatisering van de problematische jeugd, die sinds enkele jaren een geconcentreerde aandacht vraagt, maar die deze te weinig krijgt – ziedaar de cirkel eromheen. Het onderwijs, in principe de krachtigste buitencircel, completeert het drama.
De stad als brandpunt van maatschappelijk ontwikkeling. Prima, discussieer erover.
Maar laat vooral de ‘moral panics’ en de opvoedingsaandrang niet onbesproken van de haastige politici die hun eigenlijke werk verzaken.

3 Reacties

  1. Ravotten met Notten
    Ik heb dit artikel eens doorgelezen, maar er staat niet veel nieuws in, en wat die Notten nu eigenlijk wil is me ook niet erg duidelijk. Merkwaardig dat er een beroep bestaat dat lector ‘Opgroeien in de stad’ heet. Wat ze tegenwoordig al niet verzinnen.
    Ik ben er voorstander van om de onderwijzers te laten onderwijzen en de leraren te laten lesgeven. Al is het onderwijs nog zo goed voor de integratie, geef ons alsjeblieft geen ideologische taken. Ons werk is, zoals het er nu ligt, al meer dan genoeg gevuld met opvoedende en andere maatschappelijke, niet-cognitieve taken.
    Overigens is sirsel verkeerd overgenomen uit de NRC, waar toch heus ‘cirkel’ staat.

    • Notten wil geen wijzend vingertje…
      …van de politici, maar mogelijkheden en middelen voor de frontsoldaten hun werk goed te kunnen doen.
      Dat is – vindt hij – waar de politiek voor moet zorgen.
      Bovendien benadrukt hij de rol van het onderwijs in het op de rails houden van de jeugd.

      • in eigen huis
        “Laten zij ervoor zorgen dat beroepskrachten hun werk beter kunnen doen.” Aldus Notten.

        Hoe zit dat in zijn eigen huis? Het lijkt mij niet gek als Notten, zelf werkzaam op de Hogeschool Rotterdam, nagaat of het duale traject wel een goede manier is om leraren op te leiden.
        Ik heb geen hoge pet op van studenten die tot leraar worden opgeleid volgens het duale traject op de Hogeschool Rotterdam. Als je hun achtergrond bestudeert, gaat het mij te vaak om studenten die: mislukt zijn op de HAVO, MBO niet hebben afgemaakt, er zelf nog niet uit zijn wat ze willen worden, zich laten ontvallen dat ze in het duale traject financieel beter af zijn dan wanneer ze een reguliere student zouden zijn.

Reacties zijn gesloten.