A.: Je hebt gelijk.
Alles hangt af van het gezin. Je kent m’n verhaal zo langzamerhand wel.
Ik ken zoveel mensen die het onzin vinden dat hun zoon of dochter verder gaan studeren.
Want hun vader heeft ook gewerkt vanaf z’n lagere school.
“Wat moet hij nou worden als hij verder studeert?”, vragen ze dan altijd.
Ik zeg dan dat het goed is dat patroon te doorbreken. Dan worden ze heel boos.
L.: Dat lijkt op vroeger.
A.: Ja, zo een zoon of dochter gaat waarschijnlijk door met die onzin.
Dat mensen zo stom kunnen zijn. Ik heb ook wel eens meegemaakt dat men vond, dat de kinderen zich op die manier van hun familie zouden vervreemden. En ze worden arrogant als ze gaan studeren.
L.: Weet je dat daar een toneelstuk van Herman Heijermans over gaat?
Hij kies voor de familie tégen de zoon, in dit geval.
A.: Het lijken wel de jaren vijftig. Toen kwam de pastoor bij katholieke gezinnen op bezoek om te kijken of er al weer een kindje geboren was. En meisjes moesten al helemaal niet doorleren. De huishoudschool was goed genoeg. Daarna moeder worden en veel kinderen maken, zoveel mogelijk zieltjes voor de Heer. En natuurlijk veel goedkope arbeidskrachten voor in de fabriek.
L.: Ik kom gelukkig uit een vrije familie. Wij mochten doen en laten wat we wilden.
A.: Wat ik ook heb gemerkt is dat veel mensen anderen proberen tegen te houden om te gaan studeren. Want doorleren is slecht. Vooral voor meisjes. Waar is dat allemaal voor nodig of voel je je soms beter? Kinderen die goed zijn, worden ook altijd gepest.
L.: Het lijkt wel of we weer terug zijn bij vroeger.
A.:Nu lijkt het meer of de jongens het tegen proberen te houden. Meisjes willen wel wat, vooral in het begin. Daarna haken ze toch weer af.
L: Komt door de druk.
