Naar een 10 voor Nederlands

Van Daledoor Marc van Oostendorp, taalkundige bij het Meertens Instituut en hoogleraar Fonologische Microvariatie aan de Universiteit Leiden

Als het gaat om het schoolvak Nederlands, wordt één woord vaak genoemd: saai. Het bleek in 2012 het oordeel te zijn dat scholieren gaven in een enquête die werd gehouden in opdracht van de Nederlandse Taalunie: wanneer je schoolvakken ordent naar hoe leuk en interessant ze worden gevonden, eindigt Nederlands op de tiende plaats. Het is ook het oordeel dat je vaak hoort, van leerlingen, van ouders én van leraren. De fut is eruit, het is geen vak dat nog veel mensen inspireert.

Het is een probleem met veel dimensies. De saaiheid wordt wel minstens voor een deel veroorzaakt door het feit dat scholieren (of in ieder geval vwo’ers) het idee hebben dat ze in de brugklas een trucje leren – het trucje van de tekstverklaring: uitleggen in welk verband alinea 7-9 staan tot alinea 6. En dat trucje herhalen ze vervolgens zes jaar lang.

Dat is voor niemand goed. Voor de scholieren natuurlijk niet, die liever hun tijd aan iets interessanters besteden. Voor de leraren Nederlands niet, van wie het vak almaar in aanzien daalt. Voor de universitaire neerlandistiek niet, die de studenteninstroom ziet dalen, doordat scholieren – ten onrechte – denken dat een studie Nederlands betekent dat je het trucje nóg vier jaar lang herhaalt, waarna je leraar wordt, en je de rest van je leven het verband tussen alinea’s aan pubers mag uitleggen.

Een cruciaal probleem is dat het centraal eindexamen een groot deel van het schoolvak opeet. Scholen worden afgerekend op hun ‘prestaties’ bij dat eindexamen en zetten daar dus veel tijd op in. Bovendien worden er in het eindexamen onzinnige dingen gevraagd – bijvoorbeeld kennis van argumentatie die met de praktijk buiten de school noch met het academisch onderzoek naar dit onderwerp veel te maken heeft.

Goed spreken
Er zijn ook al wel tekenen van protest. In 2013 ondertekende een groot aantal hoogleraren en universitair (hoofd)docenten Nederlands een petitie naar aanleiding van het centrale eindexamen van dat jaar. De eindexamenmakers hadden het toen wel heel bont gemaakt: er waren verschillende meerkeuzevragen waarop aantoonbaar geen enkel antwoord goed was, of juist meerdere antwoorden verdedigbaar. Bovendien bleken kritische leraren die zich tot het College voor Toetsen en Examens richtten, te worden afgepoeierd: uit het feit dat ze kritiek hadden, bleek vooral dat ze hun eigen vak niet begrepen.

De situatie is sindsdien wel iets verbeterd, maar nog steeds geldt dat je op menige vraag alleen antwoord kunt geven als je eindexamentraining hebt gehad; een training waarbij slimme leerlingen vaak letterlijk te horen schijnen te krijgen dat je ‘niet het antwoord moet geven waarvan je denkt dat het goed is, maar waarvan je denkt dat zij het willen horen’. Teaching to the test heet dat modern; of non vitae sed scholae discimus klassiek.

Het examen Nederlands richt zich dus primair op het toetsen van examenvaardigheid. Dat heeft ongetwijfeld een beperkt voorspellend nut: iemand die een examen Nederlands met succes kan afleggen, weet hoe hij een examen afleggen moet. Maar van de rijkdom, de schoonheid, de kracht en het werkelijke nut van het Nederlands heeft zo iemand niet per se benul, en eigenlijk is hij of zij ook niet per se beter in staat goed te spreken of te luisteren, te schrijven of zelfs maar te lezen – terwijl de laatste vaardigheid formeel getoetst wordt in het eindexamen.

Drie grote uitgevers
Gelukkig zijn er nog betrokken leraren die hun leerlingen wél tot goede sprekers willen opleiden, wél kennis willen laten maken met de aantrekkingskracht van de middeleeuwse ridderverhalen, wél zelfstandig Arnon Grunberg en Maartje Wortel laten lezen, wél een zin willen kunnen laten ontleden. Maar het wordt hun op allerlei manieren niet gemakkelijk gemaakt, bijvoorbeeld doordat het centraal eindexamen nog steeds in belang toeneemt: er zijn scholen die ook in de schoolonderzoeken oude eindexamens gebruiken om hun leerlingen zo veel mogelijk te laten oefenen.

Dit alles is overigens ook geen garantie voor succes: bij het afgelopen centraal eindexamen bleek er op het vwo geen enkele 10 te zijn uitgedeeld en slechts drie keer een 9,2. Omdat er tienduizenden scholieren zo’n eindexamen doen, is dat een slecht teken. Het laat feitelijk zien dat er iets niet klopt in de examinering (statistisch zou je al hopen dat iemand het per ongeluk al allemaal goed zou moeten hebben). Het zorgt er ook voor dat nog minder scholieren zich aangetrokken voelen tot een studie Nederlands: wanneer je niet echt kunt uitblinken in een vak, zullen met name ambitieuze leerlingen minder snel die keuze maken. Dat haalt op den duur het niveau van het lerarenbestand en daarmee het prestige van het vak nog verder omlaag.

Schokkend was dan ook de lezing die de Leidse hoogleraar Taalbeheersing Ton van Haaften onlangs hield op een symposium over het schoolvak Nederlands op de Open Universiteit. Samen met een studente had Van Haaften onderzocht wat er nu precies aan argumentatie wordt onderwezen in de belangrijkste lesmethodes Nederlands voor de middelbare school (de markt wordt gedomineerd door drie grote uitgevers).

Daaruit bleek dat die methodes alle drie net wat anders onderwezen waar het om argumentatie ging, maar dat geen ervan aansloot op modernere inzichten en, nog verbazingwekkender: dat ze geen van allen dan wél aansloten op het eindexamen. In de schoolboeken leer je de ene bedenkelijke stof, tijdens het eindexamen wordt weer iets anders bedenkelijks gevraagd. Van Haaften vond in ieder recent vwo-eindexamen minstens één vraag waarop je geen antwoord kon geven op basis van de leerboeken. Geen wonder dat er nauwelijks negens en tienen gehaald worden.

Meesterschapsteams
Het is duidelijk: het schoolvak Nederlands bevindt zich inmiddels in een grote crisis. Leerlingen leren geen zaken waar ze op de een of andere manier iets aan hebben, maar ze beleven evenmin enig genoegen aan het gebodene. Het vak heeft weinig aanzien en levert daardoor ook gemotiveerde leraren minder op dan zou kunnen. Het sluit niet aan bij enige reëel bestaande praktijk en ook niet bij vervolgopleidingen.

En dat alles terwijl het vak zoveel te bieden heeft, en ook eigenlijk zo’n grote populariteit geniet. Populairwetenschappelijke boeken over taal, maar ook over de media, worden goed verkocht. Neerlandici van allerlei pluimage zijn graag geziene gasten bij radio- en tv-programma’s: om te praten over het Koningslied, over straattaal of over de nalatenschap van Harry Mulisch.

Er moet van alles gebeuren, en inmiddels zijn gelukkig veel meer mensen zich daarvan bewust. Vorig jaar zijn zogenoemde ‘meesterschapsteams’ ingericht die voor het ministerie van OCW de stand van de verschillende schoolvakken moeten evalueren. Voor het vak Nederlands zijn er zelfs twee meesterschapsteams: een voor de taalkunde en de taalbeheersing en een andere voor de letterkunde. Beide zijn inmiddels aan het werk gegaan en hebben op verschillende manieren geïnventariseerd wat de mogelijkheden zijn.

Beide hebben ook al bijeenkomsten georganiseerd waarop universitaire neerlandici en leraren Nederlands elkaar ontmoeten. Want dat is waarschijnlijk op zijn minst het begin van een oplossing: de universiteiten moeten beter en meer samenwerken met de leraren.

Dat geldt overigens niet alleen voor het vwo, al ligt het daar het meest voor de hand. Ook het onderwijs op de havo en zelfs dat op het vmbo zou kunnen profiteren van een frisse blik – al heb ik overigens het gevoel dat de situatie op het vmbo nog het minst beroerd is. De eindexamens zijn daar meer op de praktijk gericht en misschien daardoor minder in zichzelf gekeerd.

Enthousiasme
Het is een ingewikkeld proces, want allerlei partners moeten van de noodzaak van verandering worden overtuigd: de leraren, de neerlandici, de ouders, de leerlingen, de uitgevers van lesmethoden, het ministerie, het College voor Toetsen en Examens, en noem maar op. Ieder van die groepen heeft eigen belangen, en het is moeilijk in te zien waar je zou moeten beginnen. Iedereen wijst naar iedereen: de examenmakers zeggen dat de schoolboekuitgevers nu eenmaal bepaalde stof verwerken, de leraren volgen het eindexamen, en de uitgevers zeggen dat ze moeten voorbereiden op het eindexamen.

Maar dat wil niet zeggen dat er geen oplossingen gevonden kunnen worden. Juist moderne media maken het mogelijk dat verschillende partijen heel eenvoudig contact houden met elkaar. Zo is er een grote groep ‘Leraar Nederlands’ op Facebook, waar ook vakdidactici en universitaire neerlandici hun gezicht wel laten zien. Die groep heeft bovendien een grote map gemaakt op Google Drive waar bestanden, lessen en ander materiaal kunnen worden uitgewisseld. Ook is er een almaar groeiend bestand aan uitlegfilmpjes op YouTube.

Het zijn, denk ik, dat soort gemeenschappen waar de verandering uit moet voortkomen: groepen mensen die gezamenlijk de handen uit de mouwen steken om – los van de commerciële belangen van de uitgevers of de meetbaarheidscultus van de examenmakers – gezamenlijk het enthousiasme en de inhoud terug te brengen in het vak. Het brengt de leerstof terug bij de leraar en de inhoud terug in de leerstof. Dan komen de tienen voor Nederlands hopelijk op den duur vanzelf.

3 reacties op Naar een 10 voor Nederlands

  1. Beste Marc,

    Je beschrijft waarom ik 10 jaar geleden ophield (tijdelijk, bleek later) met leraar Nederlands zijn. Ik was de examentructraining beu. 9 jaar geleden begon ik om dezelfde redenen BruutTAAL: Nederlands een saai vak? Ik dacht het niet.
    Mooi dat de kritiek steeds breder gedragen wordt. Ook Levende Talen sprak zich onlangs duidelijk uit. Actie, jongelui.
    Ik Facebook niet (heb maar één leven), ken de googlemap wel, de bulk levert mij niks op en van de overgrote meerderheid van de uitlegvideo’s word ik niet blij. Als ook een ‘leraar Nederlands van het jaar’ uitlegt dat ‘hun’ alleen voor bezit is, schets ik wel zo’n beetje het niveau. Daarbij is dat flippinggedoe natuurlijk Leren 1 van de ergste soort. Wellicht handig voor overzichtelijke onderwerpjesvakken als wiskunde en biologie, maar moedertaalverwerving is dan weer net iets complexer: de niveaus van de leerlingen in één groep liggen mijlenver uiteen en dat voor iedere deelvaardigheid.
    Overigens probeer ik met BruutTAAL wel wat te doen met (recent) onderzoek: de nieuwe beschrijving van tekstdoelen van Bonset is verwerkt, een grammaticadidactiek naar de Taalprof krijgt steeds duidelijker gestalte, de broodje-aapwaarschuwingen van Kirschner, ik houd er rekening mee, de literatuuraanpak van Aidan Chambers is helemaal verwerkt. In mijn eentje doe ik mijn best. Jij ook, gelukkig. Wie volgt?

  2. Ik ben blij dat ‘mijn’ Facebookgroep zo’n succes is geworden. Alle beetjes helpen en ik vind het fantastisch om mensen zo bevlogen hun kennis en ervaring te zien delen. https://www.facebook.com/groups/leraarnederlands

    groetjes,
    Mirella 🙂

  3. Internationale scholen geven wel leuk Nederlands

    Ook ik las het manifest van de hoogleraren in de NRC van 9 december. Als gedesillusioneerd docent Nederlands kan ik bevestigen dat het vak Nederlands te-nen-krom-mend saai wordt gegeven, vooral in de onderbouw. Eindeloos oefeningetjes maken en nakijken. Volledig leraargestuurd onderwijs. Geen eigen verantwoordelijkheid voor het leren, geen goed zicht op gemaakte vooruitgang en geen opdrachten om de geleerde stof toe te passen in complexere opdrachten. Op de scholen waar ik lesgaf, is het vak Nederlands niet gericht op het ontplooien van leerlingen, maar op het produceren van toetscijfers.

    Paradoxaal genoeg wordt Nederlands op internationale scholen wel inspirerend gegeven. Dat komt doordat het curriculum in het internationale IB-programma is georganiseerd rond thema’s en conceptuele vragen (zoals ook de hoogleraren adviseren) en doordat de lessen worden gegeven in samenhang met andere vakken. Het IB ziet taalonderwijs bovendien als middel: het taalonderwijs is gericht op lokale en globale vraagstukken en het creëren van waardering voor culturele identiteit en diversiteit. Daarnaast staat het internationale moedertaalonderwijs in het teken van het verwerven van vaardigheden: kritisch denken, communicatieve en sociale vaardigheden, studievaardigheden enzovoort. Voeg dit bij de ‘approaches to teaching and learning’ van het IB en je hebt een prachtig raamwerk voor inspirerend taalonderwijs.

    Misschien nog belangrijker is dat docenten aan internationale scholen veel minder gebruikmaken van de standaardlesmethodes van uitgeverijen. In het IB-onderwijs is het niet ongebruikelijk dat docenten zelf al het lesmateriaal ontwerpen, in overleg met de sectie en met docenten van andere vakken. Binnen de kaders van het IB hebben ze veel vrijheid om hun eigen lessen te ontwerpen. Om dit te illustreren hierbij een citaat uit de Amsterdamse Scholengids, waarvoor Het Parool Mark Tweedie interviewde, een docent aan de International School of Amsterdam: ““We geven les volgens het internationale baccalaureate program. Uiteraard zijn er bepaalde richtlijnen waaraan je je als docent moet houden, maar daarbinnen mag ik de lessen naar eigen inzicht invullen. (…) Ik combineer verschillende vakken – in dit geval aardrijkskunde, geschiedenis en economie – rondom een thema.” Eigenlijk, legt Tweedie uit, mag hij dus op elke manier lesgeven, met welke stof dan ook.”

    In de praktijk werkt dit uitstekend, zo weet ik uit ervaring. Uiteraard moet de docent lesgeven binnen de educatieve filosofie van de school en toewerken naar de wettelijke eisen van de overheid (Meijerink-niveaus), maar de manier waarop hij als docent die niveaus bereikt, mag hij zelf weten. De educatieve filosofie en de Meijerink-niveaus zijn de handvatten, de docent bepaalt de invulling.

    Aan het eind van hun stuk roepen de hoogleraren op tot een nieuwe methode voor Nederlands. Ik vrees dat nieuwe methodes meer van hetzelfde zullen zijn: losstaande leesteksten, saaie theorie en droge oefeningen. Juist de methodes maken het vak Nederlands saai. Geef leerlingen levensechte opdrachten en daag ze uit met vakoverstijgende projecten. Laat ze websites en tijdschriften maken. Besprenkel ze met poëzie en literatuur en laat ze elkaar besprenkelen. Stuur ze de straat op om mensen te interviewen. Motiveer ze met adaptieve oefenmethodes voor grammatica en spelling, waarbij ze concreet hun vooruitgang kunnen zien. En vooral: geef docenten de tijd en de ruimte om samen inspirerend lesmateriaal te ontwikkelen.

Laat een reactie achter op Michel Pijpers Reactie annuleren

Uw e-mailadres zal niet worden gepubliceerd.


*