De OESO (in het engels OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development) doet onder andere onderzoek naar onderwijs. Om preciezer te zijn, ze vergelijken de onderwijsopbrengsten in verschillende landen met elkaar. Dit onderzoek heet PISA (Programme for International Student Assessment) en is behoorlijk invloedrijk: het is een van die lijstjes waar politici hun land graag hoog op zien. Het PISA onderzoek is driejaarlijks: het is in 2000, 2003 en 2006 uitgevoerd. In 2000 deden 43 landen mee en in 2003 deden 41 landen mee, in beide gevallen voornamelijk westerse landen. Er wordt een steekproef van 15-jarigen genomen die toetsen moeten maken over lezen, wiskunde en natuurwetenschappen. De resultaten van deze toets worden per land gemiddeld en zo krijgt ieder land een score toebedeeld. Ik zal alleen ingaan op het wiskundeonderdeel. In 2000 had Nederland hierin de hoogste score van alle landen en in 2003 was Nederland vierde. De resultaten van 2006 zijn nog niet bekend. Toont dit nu aan dat Nederlandse 15-jarigen in internationaal perspectief heel goed zijn in wiskunde?
Nee dat doet het niet. Ik zal uitleggen waarom niet. De eerste vraag die je jezelf moet stellen bij dit type onderzoek is: wat wordt er nu eigenlijk gemeten in dit onderzoek? De OESO heeft op zijn website een document geplaatst waarin dat uit de doeken gedaan wordt (als bijlage bij dit bericht heb ik een kopie van dit OESO document toegevoegd). Laat ik een stukje citeren:
The OECD/PISA mathematical literacy domain is concerned with the capacities of students to analyse, reason, and communicate ideas effectively as they pose, formulate, solve and interpret mathematical problems in a variety of situations. The OECD/PISA assessment focuses on real-world problems, moving beyond the kinds of situations and problems typically encountered in school classrooms. In real-world settings, citizens regularly face situations when shopping, travelling, cooking, dealing with their personal finances, judging political issues, etc, in which the use of quantitative or spatial reasoning or other mathematical competencies would help clarify, formulate or solve a problem.
In het onderzoek wordt dus geen wiskunde getoetst! Dat Nederlandse 15-jarigen in internationaal perspectief heel goed zijn in wiskunde kan uit dit onderzoek dus niet worden geconcludeerd. Ook de zinsnede ‘problems typically encountered in school classrooms’ is belangrijk. In Nederlandse klaslokalen kom je dit type problemen juist wel heel vaak tegen: een groot deel van het wiskundeonderwijs in Nederland is vervangen door de pseudo-wiskunde die genoemd wordt in het boven geciteerde OESO rapport (“shopping, travelling, cooking etc.”). Dit geeft Nederlandse leerlingen waarschijnlijk een voordeel boven leerlingen in andere landen op deze OESO test. Dat Nederland in dit OESO onderzoek goed scoort is dan eigenlijk ook niet verassend. Maar ten koste van wat is dit resultaat behaald?
P.S. de mening van Bas Braams, lid van het comite van aanbeveling van BON over het OECD/PISA onderzoek is hier te vinden.

De waarde van PISA
Het Freudenthal instituut is betrokken geweest bij het PISA onderzoek.
Jan de Lange, directeur van het Freudenthal Instituut, trekt uit de PISA-onderzoeken bepaald niet de conclusie dat het Nederlands wiskunde-onderwijs geweldig is, integendeel:
‘Nederland verliest terrein als het gaat om wiskundig nadenken’.
‘ Ik denk dat wij met onze realistische methodes, de mythe van de wiskunde iets te hard hebben opgeblazen. Als wiskunde zo alledaags wordt, valt er veel weg van de fascinatie van het abstracte die er natuurlijk ook vanuit kan gaan.’
Lees
www.rationelepolitiek.nl/alternatieven/rijnlands_onderwijsbeleid_inhoud_competenties_bron_wiskunde.htm .
Het is tragisch dat het PISA-onderzoek in de politiek steeds maar weer gebruikt wordt om aan te tonen dat het wel goed zit met ons wiskunde-onderwijs.
Mea Culpa
De zinnen die jl aanhaalt zijn inderdaad een mooi mea culpa van Jan de Lange van het Freudenthal Instituut. Ik heb jammer genoeg nog geen bewijs gezien dat het Freudenthal Instituut zijn leven ook daadwerkelijk betert.
PISA
Ben het met je eens, Mark. Als je de vragen bekijkt die aan de leerlingen worden voorgelegd dan wordt duidelijk dat PISA met een geschiktheidstoets werkt en dus op een IQ-afgeleide grootheid afstevent in plaats van iets dat lijkt op een schoolvorderingentoets. Ze leggen wel uit dat het laatste niet mogelijk is wegens de grote verschillen tussen landen. Maar op het eerste gaan ze nooit in. Voer als zoekterm op de PISA-site maar eens IQ in of intelligence, niets. Je had nog kunnen melden dat Nederland uit het PISA-onderzoek van 2000 (verschenen in 2002 of 2003) is verwijderd vanwege een veel te lage respons en dat CITO op eigen houtje een Nederlands deelrapport over de “goede” resultaten uitbracht (terwijl ze hoog in het consortium van het project meedraaien). Toen pas konden de toenmalige vaderlandse bewindvoerders juichen. Een redelijke afweging van de goede en minder goede kanten van de PISA en TIMSS-excercitie vind je ondermeer bij Alan Smithers. England’s Education. What can be learned by comparing countries. Un. of Liverpool, 2004. Het moet ook op de PISA site te zoeken/vinden zijn want daar heb ik het ooit afgeplukt. Verder was er een interessante discussie in de Oford Review of Education, jaargang 2003 (vol. 29, no. 2 en 3).
willem smit