@coosjeb motivatie ontstaat door succeservaring bij iets dat eerst moeilijk/vervelendwas. Jammer als je dat kinderen onmogelijk maakt.
‘Handig rekenen’: geschiedenis, empirische ondersteuning, en receptie
conclusie
Het besproken artikel van Uittenbogaard wijst erop dat het huidige ‘handig rekenen’ als kern van het realistisch rekenen, een ontwikkeling is die NA 1990 heeft plaatsgevonden, mogelijk bij het TAL-project. Natuurlijk is er ook in Wiskobas sprake van handig rekenen, maar staat daar toch de als vernieuwend gepresenteerde didactiek van het kolomsgewijs rekenen voorop, en de vergrote aandacht voor hoofdrekenen (zie het overzicht dat Van Mulken, 1992, in zijn proefschrift hiervan geeft; Buijs doet hetzelfde in het zijne, 2008, heel recent en spectaculair omdat hoofdrekenen het rekenen zo’n beetje of eigenlijk helemaal heeft vervangen). Omdat juist die nadruk op hoofdrekenen een averechts werking op rekenprestaties blijkt te hebben, moet daar zeker een blog over komen.
werkdefinitie
‘Handig rekenen’ is het rekenen dat GEEN gebruik maakt van standaardstrategieën.
De afbakening tussen traditioneel hoofdrekenen (Treffers & De Moor, 1990, Proeve deel 2, hfdst 4 Hoofdrekenen) en realistisch ‘handig rekenen’ is als volgt te zien: ‘handig rekenen’ gaat met opgaven waarvan de getallen zo zijn gekozen dat er ‘handig’ mee kan worden gerekend; traditioneel hoofdrekenen gaat met getallen die niet om enige bijzondere reden zijn gekozen.
NB. Over hoofdrekenen geeft Van Mulken (1992) in zijn proefschrift een gedetailleerd overzicht. Dat is zeker van belang voor inzicht in de controverse over ‘handig rekenen’, maar blijft in deze blog buiten beschouwing.
ownership
‘Handig rekenen’ is de kern van de realistische rekenmethoden zoals gepropageerd door wat ik kortheidshalve zal aanduiden als de Freudenthal-groep — Hans Freudenthal en zijn Wiskobas-team in het IOWO, en de protagonisten van het realistisch rekenonderwijs. ‘Handig rekenen’ is ook voor de overheid een kerndoel van het huidige rekendonderwijs, ten koste van wat buiten de Freudenthal-groep onder rekenen wordt verstaan. In de voorgaande blogs [8] en [9] is aangegeven 1) dat Nederland nu dus een staatsrekendidactiek rijk is, en 2) wat die didactiek inhoudt. Ik verwijs naar die blogs.
Ik schreef in de voorgaande blog [9]
In reactie op het artikel van Jan van de Craats — ‘Daan en Sanne kunnen niet rekenen’ — heeft W. Uittenbogaard (2007) (pdf) ongeveer beschreven wat ik hierboven heb aangeduid, en daarmee een stevig contrast neergezet tussen het ‘handig rekenen’ zoals door de Freundenthal-groep voorgestaan, en het van ‘handig rekenen’ gezuiverde onderwijs dat wiskundigen zoals Van de Craats voorstaan. Het ligt dus voor de hand dat ik mijn speurtocht naar de roots van ‘handig rekenen’ begin met het artikel van Uittenbogaard als leidraad.
positiebepaling
Ik heb op voorhand eigen ideeën over handig rekenen (traditioneel) en ‘handig rekenen’ (realistisch) waardoor mijn zoektocht naar achtergronden mede wordt gestuurd. Zie ze maar als werkveronderstellingen, of stellingen.
stelling 1. Geen handig rekenen (traditioneel) zonder rekenvaardigheid. Handig rekenen (traditioneel) is een bijgift van het vaardig kunnen rekenen.
stelling 2. ‘handig rekenen’ (realistisch) zonder rekenvaardigheid is van nul en generlei waarde omdat de rekenopgaven die de wereld stelt niet komen in de vorm van ‘handig rekenen’-klare brokken.
stelling 3. Het concept van ‘handig rekenen’ (realistisch) is intern inconsistent, bv omdat de standaardstrategieën de meest handige rekenstrategieën zijn, ongeacht de specifieke getallen in de betreffende opgaven.
stelling 4. Handig rekenen (traditioneel) is niet iets dat doelgerichtvalt te leren, anders dan via de weg van het vaardig leren rekenen. ‘Handig rekenen’ (realistisch) is niet iets dat op zich een doel van rekenonderwijs mag zijn: het hoort niet thuis in het basisonderwijs.
stelling 5. Als ‘handig rekenen’ (realistisch) eigenlijk bedoeld is om wiskundig inzicht bij te brengen, en vaardigheid in het oplossen van rekenproblemen ipv. het uitrekenen van rekenopgaven, of om begeleid de standaardstrategieën van het rekenen opnieuw uit te vinden, dan moeten de realisten dat zeggen, dan is het dus geen doel op zich, en kan het niet het kerndoel van het rekenonderwijs zijn.
stelling 6. De overdreven nadruk op ‘handig rekenen’ is een ontwikkeling van na 1990 in het FI. In de ‘Proeve’ van Treffers en anderen, 1989, 1990, komt handig rekenen wel voor, maar niet als kern van het realistisch gedachtengoed.
Het artikel van Uittenbogaard
Uittenbogaard gaat eerst in op het contrast realistische strategie — standaardstrategie. Ik volg zijn voorbeelden.
[p.33] Uittenbogaard schrijft hier dat de standaardstrategieën ultieme verkortingen zijn, in de 17e eeuw verkregen ten behoeve van de handel. En zo zijn ze in het onderwijs gekomen. Interessante visie. Maar daar volgt geenszins uit dat ze ‘dus’ over hun uiterste houdbaarheidsdatum heen zijn. Meteen ook maar middeleeuwse kathedralen slopen?
[p. 33] 27 x 37 Handig: weten dat 3 x 37 = 111, en dat 9 maal.
Uittenbogaard gaat hier niet in op de vraag hoeveel rekenervaring je eigenlijk moet hebben om de genoemde eigenschap meteen te zien en te gebruiken.
[p. 33] Juf heeft voor een handenarbeidles stukjes touw nodig van 2 meter 75. Zij heeft een bol van 80 meter. Hoeveel stukken kan zij daaruit halen? (PPON 2004). Uittenbogaard: “De goedscore van dit probleem is ongeveer 10 procent. Bedroevend laag eigenlijk.” Exact, dan wil je onmiddellijk weten hoe dat kan, maar die vraag stelt Uittenbogaard hier niet. Deze leerlingen hebben allemaal ‘handig’ leren rekenen, dus hoe kan de goedscore dan zo belabberd zijn? Uittenbogaard geeft dan drie strategieën die het goede antwoord opleveren, het zijn alledrie ‘hapmethoden’, vormen van kolomrekenen. Op zich is daar niets tegen: ze leiden tot het goede antwoord. Een beetje omslachtig, dat wel. Ondertussen is een kans gemist om gewoon de standaardstrategie te gebruiken. Dat is ook geen probleem, tenzij ALLE kansen om de standaardstrategie te gebruiken verloren gaan door ‘hapmethoden’ te gebruiken.
[p. 33-34] 7 + 8 Dit is natuurlijk een rekenfeit, behalve in groep 3. Uittenbogaard heeft les gegeven in New York, en ja hoor: de kinderen hadden mechanistisch onderwijs gehad. Dat kan gebeuren. Maar het alternatief voor mechanistisch is niet vanzelfsprekend realistisch rekenen, laten we wel zijn.
[p. 34] 2003 - 1998 Uittenbogaard laat zien hoe dit New York’s mechanistisch gaat. Grappig. De stelling van Uittenbogaard is: dit moet je echt ‘handig’ doen. Dat kan wel zijn, maar hij steekt eerst de kaart zo in, dat dit de uitkomst is.
[p. 34] 200 x 200 Uittenbogaard gaat verder met Amerikaanse kinderen te gebruiken om de algoritmische aanpak van Jan van de Craats belachelijk te maken. Compleet over de top. Na deze voorbeelden is het tijd voor de recente ontwikkelingen in het rekenonderwijs.
De positie van Uittenbogaard [p. 34]:
Maar dit zijn stuk voor stuk stellingen waar een empirisch grondslag onder hoort! Afijn, het gaat in deze blog even over de historische ontwikkeling. In zijn paragraaf 5 schetst Uittenbogaard het beeld van falend rekenonderwijs in de zestiger jaren, mechanistisch rekenonderwijs bovendien. Nee, hij geeft geen verwizjing naar onderzoek dat deze claims steunt. In plaats daarvan citeert hij een uitspraak van Freudenthal dat het rekenonderwijs niet deugt (is HF daarvan op de hoogte, dan? Uit eigen onderzoek? Observatie? In 1971?). Is het TAL-gebeuren de cesuur geweest waarna het ‘handig rekenen’ het rekenen heeft vervangen? Uittenbogaard [p. 35]:
Dit is je reinste radicaal constructivisme, of ik moet me wel heel erg vergissen. Geen moment van aarzeling bij Uittenbogaard of beheersing van standaardalgoritmen misschien ook nog ergens anders noodzakelijk voor is. Wiskunde, misschien? Om met die rekenmachine goed te kunnen werken, misschien?
Ik heb uit, kennelijk wat oudere, publicaties uit de school van Freudenthal altijd begrepen dat dat kolomrekenen bedoeld was als een didactisch wenselijke weg — want twee keer zo doelmatig als traditioneel rekenonderwijs (Freudenthal, 1984, Appels en peren, hfdst 4) om uiteindelijk te komen tot beheersing van de standaardstrategieën. Hier verkondigt Uittenbogaard, en hij is niet de enige, dat het helemaal niet de bedoeling is om op die standaardstrategieën uit te komen. En erger. Zonder een snipper van empirische evidentie dat dit de juiste weg moet zijn, overigens, maar dat zijn we van Freudenthalers wel gewend. Zijn kamerleden bekend met deze opvattingen achter dat ‘handig rekenen’ dat tot kerndoel van Nederlands’ rekenonderwijs is gebombardeerd?
In paragraaf 6 loopt Uittenbogaard langs de opgaven van Van de Craats (Daan en Sanne kunnen niet rekenen):
78,12
13,34
142,57
92,63
104,89 +
413,92
376,75 –
345
729 ×
De teneur is bij Uittenbogaard: dan pak je toch een rekenmachine! Natuurlijk, dat kan, een rekenmachine is nooit ver weg. Maar waar gaat rekenonderwijs ook al weer over? Toch niet om de antwoorden op de opgegeven sommen? De leraar kent die antwoorden al, hij of zij vraagt de leerlingen naar de bekende weg. Onmiddellijk ophouden met die flauwekul, dus? Dan heb je niet eens een rekenmachine meer nodig, dan is er zelfs geen geen rekenonderwijs meer nodig.
In het rekenonderwijs van Uittenbogaard is de boodschap aan de leerlingen: rotzooi maar een eind aan, hoe korter je rotzooit des te beter, maar je kunt altijd de rekenmachine pakken. Met deze grondhouding bieden we leerlingen natuurlijk een sterk uitgangspunt voor hun verdere studie wiskunde, of voor beroepen waarin ze rekenvaardigheden hard nodig hebben (bv de verpleging; er zijn al strafrechterlijke veroordelingen geweest op verkeerd rekenen bij het doseren van medicijnen). The proof of the pudding is in the eating. De resultaten van de PPON 2004, voor delingen in detail geanalyseerd door Kees van Putten (Uittenbogaard verwijst naar de PPON-analyse 2004, maar niet naar de in dat rapport ook opgenomen analyse van Van Putten), wijzen erop dat het optimisme van Uittenbogaard over ‘handig rekenen’ geen verband houdt met de empirische realiteit.
langs de door Uittenbogaard genoemde literatuur
[Ik moet hier nog achteraan]
wortels, evidentie, receptie
De speurtocht naar de oorsprong van die nadruk op ‘handig rekenen’ bij de Freudenthalers vordert stapje voor stapje: tot en met de ‘Proeve’ (deel 1 1989, deel 2 1990) is handig rekenen een bescheiden onderdeel van kolomrekenen en andere typisch realistische didactieken, zodat het vermoeden nu is dat het TAL-project de wieg zal blijken te zijn van ‘handig rekenen’ zoals dat tot kerndoel van ons Nederlandese rekenonderwijs is verheven.
Evidentie ontbreekt volledig, althans, evidentie zoals dat wordt opgevat in wetenschappelijke kringen zoals bv. NWO.
Over de receptie maakt Uitttenbogaard een interessante opmerking: een enquête over de vraag ‘handig rekenen’ afschaffen of niet, zou overweldigend voor het behoud van ‘handig rekenen’ zijn. Dat is interessant dat hij dat zo zegt, want ik krijg een tip dat die internet-enquête gekaapt is door realisten: zie blog 3725 op dit forum. Uittenbogaard gaat dus gewoon door met die kaping.
literatuur
Voorgaande blogs
Eerstvolgende blogs
Voorgenomen blogs
Reacties
Ter Heege (2009, Panama Post pdf) bespreekt het proefschrift van Buijs (2008). Opmerkelijk is de volgende passage, die een begin van een antwoord lijkt te geven op de vraag waar het ‘handig rekenen’ in het kerndoel basisonderwijs zijn oorsprong vindt.
van en analyseert deze, om daar vervolgens de conclusie uit te trekken dat ze waardevolle elementen voor zijn onderzoek bevatten.
Kees Buijs (2008). Leren vermenigvuldigen met meercijferige getallen. Proefschrift Universiteit Utrecht. pdf omvangrijk
Het proefschrift is eerder op dit forum bekritiseerd (door anonieme mark79).
In een vriendelijke bespreking levert Jacob Perrenet (2008) Tijdschrift voor Didactiek der β-wetenschappen 25 (2008) nr. 1 & 2 83 pdf) kritiek die zeer ter zake is: het blikveld van Buijs is qua theorie en qua methode (‘ontwikkelingsonderzoek’) beperkt tot die van de school van het realistisch rekenen. Deze kritiek komt neer op de kwalificatie ‘onwetenschappelijk’, al spreekt Perrenet dat niet uit.
Laat ik dan ook maar een link naar mijn bespreking geven (niet alleen maar een verwijzing zonder link zoals Ben deed).