Onderzoek alles . . .
Ik ben voor vernieuwingen. Sinds mensenheugenis is er kritiek geweest op de manier waarop wij onze kinderen onderwijzen. Veel onderwijsvernieuwers waren van mening dat het radicaal anders moest. Bijvoorbeeld omdat het onderwijs dat zij zelf hadden genoten in hun ogen niet voldeed of omdat het hopeloos verouderd zou zijn en niet die vaardigheden zou aanleren die nodig zijn in de moderne samenleving van de toekomst.
Maar is het wel zo verstandig om álles terzijde te schuiven? Revolutie? Het volledig omgooien van het onderwijs is een hachelijke zaak en zou alleen gedaan moeten worden als hiervoor degelijk bewijs bestaat dat het betere resultaten oplevert.
Toch zijn er regelmatig radicale vernieuwingen: Slash21, het studiehuis en het realistisch rekenen zijn hiervan voorbeelden. De laatste twee zijn bovendien grootschalig ingevoerd in het Nederlandse onderwijs. Alle drie vernieuwingen zijn overigens bedacht door mensen die mijlenver weg staan van de dagelijkse praktijk.
Ze zijn van bovenaf opgelegd en er is hiertegen veel weerstand geweest door de mensen die het moesten gaan uitvoeren. Niet omdat zij niet open zouden staan voor vernieuwingen, maar omdat zij vanuit hun vakmanschap wisten dat deze aanpakken ineffectief zijn.
De natuur leert ons dat veranderingen langzaam gaan. De evolutie is hiervan een mooi voorbeeld. Het bestaande concept wordt niet zomaar overboord gegooid, maar wordt telkens verbeterd met dingen die goed werken en een voordeel opleveren. Onderwijsevolutie is een meer verstandige aanpak dan revolutie volgens mij.
In onderwijsvernieuwing wordt ook te vaak de nadruk gelegd op vernieuwing in plaats van verbetering. Onderwijsverbétering is dus eigenlijk een veel beter woord in mijn ogen. Het geeft je het bewustzijn om te reflecteren of de gebruikte aanpak inderdaad werkt. Zijn de opbrengsten goed? Profiteren de kinderen?
Leerkrachten zijn vakmensen die dagelijks de effecten van hun aanpakken zien en hierop reflecteren. Zij weten derhalve wat goed is voor de kinderen. Onderzoekers kunnen deze bevindingen vervolgens verder bekijken en eventueel bewijzen dat deze inderdaad effectief zijn. Andersom kan het natuurlijk ook: onderzoekers zien dat er een significante effectgrootte is bij een zekere aanpak, waardoor leerkrachten hiermee hun voordeel kunnen doen in de klas.
Het is interessant om onderwijsvernieuwing eens te vergelijken met vernieuwingen in andere maatschappelijke sectoren. Zo zijn er in de farmaceutische industrie regelmatig doorbraken. Er worden nieuwe medicijnen en behandelingen ontdekt tegen ziektes die eerst onbehandelbaar leken.
Toch komen deze medicijnen niet direct op de markt. Er vindt eerst uitgebreid onderzoek plaats naar de effecten en neveneffecten door deze te testen op een kleine groep gebruikers. Pas nadat het effect van de medicatie is aangetoond en eventuele bijwerkingen onderzocht zijn, wordt er overgegaan op grootschalige toepassing ervan.
De reden hiervan is eenvoudig: de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid kunnen simpelweg te groot zijn. Een eventueel voordeel op de korte termijn wordt niet geplaatst boven de gevolgen op de lange termijn.
De geschiedenis heeft ons geleerd dat medicijnen die goed werken tegen bijvoorbeeld misselijkheid op de lange termijn zeer schadelijk kunnen zijn. Diëthylstilbestrol (DES) werd in de jaren ’70 van de vorige eeuw door artsen voorgeschreven aan zwangere vrouwen omdat het de kans op het krijgen van een miskraam zou verkleinen. Later bleek dat het geheel niet werkte en zelfs zeer schadelijk was voor de ongeboren vrucht. Thalidomide (Softenon) helpt goed tegen ochtendmisselijkheid bij zwangere vrouwen. Later bleek dat deze vrouwen vaak kinderen kregen met ontbrekende lichaamsdelen. Beide medicijnen zijn niet meer verkrijgbaar.
Als we zo voorzichtig zijn bij het toepassen van medicijnen op mensen, waarom zijn we dit dan niet bij het toepassen van didactische en pedagogische aanpakken op onze kinderen? Zij zijn het meest kostbare bezit van onze samenleving: de volwassenen van de toekomst aan wie wij onze wereld overdragen.
In hoeverre zijn wij als leerkrachten eigenlijk op de hoogte van wetenschappelijk onderwijsonderzoek? Laten we ons niet teveel leiden door de verhalen van de edubabbelaars? Ze vertellen mooie verhalen die vaak logisch klinken, maar vaak bol staan van de drogredenen.
De commerciële belangen in het onderwijs zijn groot: er moet een product worden verkocht. Toen ik op de NOT rondliep verbaasde ik me over de honderden exposanten. Er wordt blijkbaar grof geld verdiend aan onderwijs. Hoeveel hiervan heeft een direct positief effect op hetgeen er in de klas gebeurt?
Hoeveel leerkrachten zijn kritisch op wat er in de teamkamer op tafel ligt? Gratis magazines en soms zelfs een heuse glossy? Wat staat er in het colofon? Wie is de uitgever? Commerciële bedrijven geven niet zomaar iets gratis weg. Ik begrijp dit trouwens wel hoor: het is de taak van een bedrijf om reclame te maken en zich te profileren. Af en toe iets weggeven om zodoende een goede omzet te draaien.
Tegelijkertijd is het de taak van de leerkracht om kritisch te zijn en te toetsen of het didactisch en pedagogisch handelen een positief effect heeft op de opbrengsten: methoden, methodieken, materialen en aanpakken. Het belang van de kinderen staat voorop.
Ik ben voor vernieuwingen. Maar laten we ook de kritische vraag durven stellen of de vernieuwing wel een verbetering is. Onderzoek alles . . . en behoud het goede (Paulus).
Bronnen:
Biervliet, P. (2008). Constructivistisch leren: broodje aap of wetenschap? In Braams, t. & Milikowski, M. (2008). De gelukkige rekenklas. Amsterdam: Uitgeverij Boom.
Wikipedia. Diëthylstilbestrol. Verkregen op 12-03-2011 via deze link: http://nl.wikipedia.org/wiki/Di%C3%ABthylstilbestrol
Wikipedia. Softenon. Verkregen op 12-03-2011 via deze link: http://nl.wikipedia.org/wiki/Thalidomide
SCHRIJF JE IN VOOR
BETER ONDERWIJS


Reacties
Gisteravond een uitzending van Zembla over de grote sterfte onder bijenvolken, in het bijzonder in Nederland: Moord op de honingbij. Prima om af te kicken van een intensieve BON-dag, en om het nog eens ingewreven te krijgen dat onafhankelijk universitair onderzoek vandaag de dag niet meer vanzelfsprekend is. Een voor bijenvolken letterlijk dodelijke combinatie is dan ontbrekende deskundigheid in het departement van Bleker, en de eenzijdigheid in de manier waarop dat departement zich laat adviseren door een privaat werkend universitair instituut (waar op zich nog niets mis mee is) dat ook werkt voor Bayer, de producent van het agressieve bestrijdingsmiddel dat mede de oorzaak van bijensterfte is. Voorbeeld van belangen en broodheren. Verleidelijk om het als metafoor voor bepaalde problemen in het onderwijs te zien.
Van de bijen naar de leerlingen. Onderwijsgek geeft voor zijn blog — een betoog dat ik onderschrijf — als bron o.a. het hoofdstuk van Pieter van Biervliet in De gelukkige rekenklas. Evenals Zembla, moeten ook critici van realistisch rekenen oppassen dat ze correcte informatie gebruiken. Welnu, Biervliet maakt een groot punt van een kritisch artikel van Kirschner, Sweller en Clark (2006), kritisch over zelf-ontdekkend leren. Enkele maanden geleden kreeg ik de vraag of dit artikel bruikbaar is voor bijvoorbeeld de wiskundedidacticus die zich wil informeren over de problemen rond dat zelf-ontdekkend leren en verwante begrippen in het onderwijs.
vv
Mijn eerste reactie was: de auteurs deugen, het tijdschrift deugt, het artikel is gerefereerd (kritisch bekeken door anonieme collega’s voor acceptatie door de redactie), een blik op de literatuurlijst liet bij mij geen alarmbellen rinkelen. Oké, ik ga het lezen, en struikel meteen over vaagheden en eenzijdigheden. En dat blijft zo tot de laatste alinea van dat artikel. Gebruik dit artikel dus nooit om een punt te scoren in bijvoorbeeld de discussie over realistisch rekenen. Gebruik dus ook het hoofdstuk van Van Biervliet niet ondoordacht, en trek zelf de door Van Biervliet genoemde bronnen na.
Hiermee is niet gezegd dat de kritiek van Kirschner c.s. op de overdrijving in zelf-ontdekkend leren geen grond heeft, alleen dat zij in hun artikel hun kritiek absoluut niet blijken te onderbouwen. Het lijken wel drie gefrustreerde heren die elkaar toevallig hebben ontmoet.
Afijn, zie de zeer uitvoerige annotatie die ik voor mijn wiskundige vrienden heb gemaakt — zij zijn tenslotte vreemden in dit land van psychologen — van dit overschatte artikel.
Het geeft aan hoe taai de materie kan zijn. Evidence-based te werk gaan is een uitstekend idee, maar zorg wel dat je je evidence op orde hebt, doe dat beter dan Kirschner c.s.
Ook ik vond de kritiek van Kirschner-Sweller-Clark niet sterk. Anderson-Reder-Simon is veel sterker.
Zoals je in je annotatie opmerkt: educational psychologist publiceerde maar liefst 3 reacties op Kirschner-Sweller-Clark.
Ik heb dit soort tactieken meer gezien: wanneer er teveel kritiek komt op iets om het nog te kunnen negeren in de academische tijdschriften, plaats een zwakke kritiek en laat die vervolgens neersabelen door je vrienden.
Waarom wordt Kirschner-Sweller-Clark dan zo vaak genoemd? Het lijkt (op Anderson-Reder-Simon na) de enige kritiek op constructivisme die is gepubliceerd in een academisch tijdschrift. In ieder geval de enige met wat bekendheid. En waarom is dat zo? Ik ben bang omdat de ideologen van het constructivisme de redacties van de academische tijdschriften in handen hebben.
Mark,
Ik zweer samen tegen samenzweringstheorieën.
Het verschil tussen beide artikelen die je noemt: Kirschner c.s. is te snel uit te pen gekomen, Anderson c.s. is goed overwogen. Het ongeduld van Kirschner c.s. blijkt ook uit de onbehoorlijke rejoinder op de repliek die zij van Deanna Kuhn kregen (Deanna Kuhn, Harvard, is niet van de straat, maar zij krijgt wel een behandeling alsof zij dat zou zijn).
Een ander verschil: Anderson c.s. is cognitieve psychologie, Kirschner c.s. is neuropsychologie; ik overdrijf het contrast, maar je hebt beide gelezen en zult gezien hebben dat deze twee groepen auteurs in twee verschillende werelden verkeren.
Waarom wordt dat artikel van Kirschner, Sweller & Clark dan toch zo vaak genoemd? Ik denk dat daar een eenvoudig antwoord op is: zij hebben in feite een politiek-moreel pamflet geschreven, en dat spreekt velen aan die een appeltje hebben te schillen met opdringerige vernieuwers. Zij hebben zich zo speelbal gemaakt van een discussie in de coulissen van het universitaire bedrijf, zeg maar op de rand van het wetenschappelijk discours (wat mij betreft eroverheen). Daar wordt niemand wijzer van, integendeel: het maakt het debat juist mistig. Omdat de auteurs wel degelijk op hun eigen vakgebied gezag hebben, is dit voor velen hoogst verwarrend.
Ontwikkel gevoeligheid voor drogredenen, en wapen je zo tegen dit type literatuur.
Bedankt voor je reactie Ben. Het blijkt inderdaad hoe lastig het is om betrouwbare informatie te verkrijgen als leerkracht basisonderwijs. Ik blijf mijn best doen en ben blij dat ik hier ook de feedback krijg die me weer verder kan helpen.
Het is zeker lastig om informatie buiten het veld van de eigen expertise te beoordelen. Voor Kirschner is het probleem hoe inzichten uit de psychologie over grenzen van de eigen discipline heen te tillen, naar didactici, leraren, ouders. In dit omstreden artikel is het hem (metClark, en Sweller [cognitive load theory]) niet gelukt, in andere publikaties wel.
Ik zit er zelf ook vaak mee te klunzen, en probeer dan
- zoveel mogelijk mijn bronnen aangeven, zodat ik controleerbaar ben in mijn uitspraken (in het onderwijsveld is dat niet de gewoonte, zodat literatuuropgaven makkelijk worden gezien als opgegeven huiswerk, maar dat laatste is natuurlijk niet de bedoeling)
- in kritische analyse van bv. publikaties uit het FI wijzen op tekorten in de argumentatie die eigenlijk voor iedereen begrijpelijk horen te zijn (het gaat om vormen van onjuist argumenteren waarover in een eindexamen vwo vragen gesteld zouden kunnen worden): zoals argumenten van een tegenpartij onjuist weergeven (trek de bron na), de tegenpartij niet met name noemen (dan is er geen bron om na te trekken, en dat deugt dus helemaal niet), claimen dat zus-en-zo het geval is (realistisch rekenen is beter) zonder de empirische onderbouwing (of de bron daarvoor) erbij te geven. Lastig te beoordelen blijft deze drogreden: suggereren dat je een nieuwe rekenmethode wetenschappelijk hebt onderzocht terwijl er alleen maar observaties in experimenteerklassen zijn gedaan.
Het is niet nodig dat leraren zich oren laten aannaaien door onderzoekers die een belang in een eigen zaak hebben. Het is in dat soort zaken vrijwel altijd zo dat claims niet berusten op behoorlijk bewijs en dat veel argumenten drogredenen zijn uit het boekje van Eemeren en Grootendorst. Ik ben dan ook verbaasd dat leraren in de 80er jaren het realistisch rekenen massaal hebben omarmd (of is dat ook al een onjuist FI-suggestie?)
Daarom spreekt je blog mij ook aan: Onderzoek alles .... . Ook de onderzoekers.
Daarnaast is er toch een algemeen probleem bij de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs: dat is de rol van de individuele leraar en -in mindere mate- de rol van de individuele leraar.
Evidence based betekent in mijn ogen dat je als docent vooral moet uitzoeken wat er voor jou en met jouw klassen werkt. Daarbij moet je wel je doelen goed formuleren, anders wordt het uitzoeken wat werkt wel heel erg natte-vingerwerk.
Ook algemene onderzoeken uit de 'echte' wetenschap kun je ter kennis nemen, maar het kan zeer goed dat het voor jou niet werkt.
Inderdaad hecht ik dus niet zo veel waarde aan wetenschappelijk onderzoek in het onderwijs als diverse anderen.
Daar kan ik me goed in vinden, Hinke. Ik kijk altijd goed welk resultaat mijn aanpak heeft in mijn klas. Wat zijn de leeropbrengsten? Zitten de kinderen lekker in hun vel en voelen zij zich competent? Als er zaken niet lekker lopen dan stel ik me steevast de vraag: wat kan ik als leerkracht anders/beter doen? Je hebt gelijk: wat werkt in jouw klas?