Twee weken geleden verscheen het rapport ‘De basis meester. Onderwijskwaliteit en basisvaardigheden’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het rapport constateert dat leerkrachten de focus op de basisvaardigheden taal en rekenen willen handhaven. Hier word ik blij van.
Blijkbaar dringt de kennis uit internationaal wetenschappelijk onderwijsonderzoek steeds meer door op de werkvloer. Dat vind ik een goede zaak, want hiermee kunnen we het onderwijs aan onze kinderen verbeteren.
Laten we eens kijken wat onderzoek ons verder kan vertellen over de basisvaardigheden.
Een tijdje terug postte ik hier een bericht over Frank Furedi. Inmiddels heb ik zijn boek uitgelezen en samengevat. Ik denk dat het interessant kan zijn voor meer gebruikers van dit forum.
Furedi, F. (2011). De terugkeer van het gezag. Waarom kinderen niets meer leren. Amsterdam: Meulenhoff bv.
Enkele citaten:
Als ik aan het begin van de rekenles de bal uit de vensterbank pak, roepen de kinderen enthousiast: ‘Yes, rekenen!’
Ik noem telkens een som en gooi de bal dan naar een leerling die het antwoord moet zeggen. Op deze manier oefenen we in tien minuten een grote hoeveelheid sommen. Het is bijzonder te ervaren hoe leuk kinderen het vinden om op deze betrekkelijk eenvoudige en schijnbaar saaie manier de sommen te oefenen.
Ik ben voor vernieuwingen. Sinds mensenheugenis is er kritiek geweest op de manier waarop wij onze kinderen onderwijzen. Veel onderwijsvernieuwers waren van mening dat het radicaal anders moest. Bijvoorbeeld omdat het onderwijs dat zij zelf hadden genoten in hun ogen niet voldeed of omdat het hopeloos verouderd zou zijn en niet die vaardigheden zou aanleren die nodig zijn in de moderne samenleving van de toekomst.
Maar is het wel zo verstandig om álles terzijde te schuiven? Revolutie? Het volledig omgooien van het onderwijs is een hachelijke zaak en zou alleen gedaan moeten worden als hiervoor degelijk bewijs bestaat dat het betere resultaten oplevert.
Er zijn verschillen tussen scholen als het gaat om leeropbrengsten. Scholen in de betere wijken presteren doorgaans beter dan die in achterstandsbuurten.
Toch is de schoolpopulatie niet de oorzaak als scholen goed of juist slecht presteren. Vrijwel ieder kind kan namelijk leren lezen (Onderwijsinspectie, 2006) en rekenen (Gelderblom, 2009). Het verschil wordt gemaakt door de mate van effectiviteit van de school.
Hij geeft al flink wat jaren les op de basisschool en leert met veel geduld alle kinderen lezen, spellen en rekenen: meester Max.
Veel van de van buitenaf opgelegde onzin heeft hij buiten zijn klas weten te houden of zodanig weten te vertalen dat de onderwijskwaliteit er niet door wordt aangetast. Altijd heeft hij vastgehouden aan het basisrecept dat goed werkt: instructie geven, samen inoefenen, en voldoende tijd om het verder eigen te maken om het tot slot te kunnen toepassen in de praktijk.
Effectieve leerkrachten zijn in staat om de beschikbare leertijd zo goed mogelijk te gebruiken. Hierbij gaat het om twee zaken. Allereerst weten deze leerkrachten de ingeroosterde tijd te gebruiken zonder dat er veel tijd verloren gaat aan procedures en verstoringen. Ten tweede bieden zij zinvolle en doelgerichte oefeningen aan in de beschikbare leertijd (Veenman, 1993).
Dit eenvoudige recept is de basis voor goede prestaties bij de leerlingen. Dit leidt vervolgens tot een drastische afname van gedragsproblemen. Hierdoor wordt de leertijd nogmaals vergroot. Het is een vicieuze opwaartse spiraal die leidt tot verantwoordelijke en competente leerlingen en een leerkracht die merkt dat hij het verschil kan maken voor zijn leerlingen.
Trudy Coenen is leerkracht van het jaar. Ze zet zich voor de volle 100% in voor de aan haar toevertrouwde kinderen. Met onderwijsvernieling heeft ze weinig op. Van competentiegericht onderwijs krijgt ze pukkels en bij de studiedag over dit onderwerp is ze er tussenuit gepiept om naar de kapper te gaan. Het artikel in de Volkskrant van 22-10-2010 is zeer het lezen waard: http://www.jeroenloopt.nl/j/media/coenen.pdf Het geluid van BON wordt steeds sterker.
Normaal gesproken gebruik ik de website van BON om mijn blogs te delen met anderen. Daar maak ik graag een keer een uitzondering op.
Liesbeth Hermans beschrijft als leerkracht de dagelijkse praktijk op een basisschool. Een praktijk waarin de invloed van educraten en onderwijsvernielers het werk van de leerkracht wel erg moeilijk maakt. Dit boek geeft van het doodgewone basisonderwijs een beeld waar menigeen verbaasd van zal opkijken.
Het boek kan hier worden besteld: http://www.boekscout.nl/html/boek.asp?id=760
Goed onderwijs begint met het formuleren van doelen. Deze doelen vormen samen een leerlijn of een leerplan.
Doordat duidelijk is wat kinderen aan het eind van een periode moeten beheersen, kan de beschikbare leertijd goed gebruikt worden. Ook is duidelijk wat de opbrengsten zijn geweest van de inzet van de leerkracht en het kind. Hierdoor is reflectie en verbetering mogelijk.
Helaas is het leerplan vrijwel geheel verdwenen de afgelopen 15 jaar. Sinds kort mag het echter op hernieuwde belangstelling rekenen. Een goede ontwikkeling.
De wijze waarop je tegen de wereld aankijkt wordt gekleurd door je persoonlijke ervaringen. Ieder mens beleeft de wereld vanuit een eigen paradigma, een geheel van waarden en normen.
Dit paradigma kan dermate krachtig zijn dat men niet meer openstaat voor feiten en onderzoek waaruit een andere werkelijkheid blijkt.
Soms wordt een paradigma door een grotere groep gedeeld en bevestigen de leden van de groep elkaar. Hierdoor wordt de heersende opvatting nog verder versterkt.
Leerlingen die de overstap maken naar een studie aan hogeschool of universiteit blijken vaak moeite te hebben met algebraïsche vaardigheden. Dr. Irene van Stiphout zocht als promovendus aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) uit wat daarvan de oorzaak zou kunnen zijn.
Zij kwam tot de conclusie het reken/wiskunde-onderwijs in het voortgezet onderwijs de leerlingen niet de wiskundige vaardigheden leert die ze als student nodig hebben in een (exacte) studie aan hogeschool of universiteit.
Er bereiken mij de laatste maanden vreemde berichten van leerkrachten. Enige tijd geleden heeft Cito namelijk nieuwe spellingtoetsen op de markt gebracht waar veel leerkrachten hun bedenkingen bij hebben.
Hoe werkt dat eigenlijk precies, toetsen? Als je aan een leek zou vragen hoe je het beste zou kunnen bepalen hoe goed kinderen kunnen spellen, dan zou deze waarschijnlijk zeggen dat je dan woorden moet zeggen en de kinderen deze moet laten opschrijven.
Cito heeft hier echter hele andere ideeën over. Om de spellingvaardigheid te kunnen toetsen, hoeven kinderen helemaal geen woorden te kunnen schrijven.
De afgelopen vijftien jaar is de lat in het onderwijs een stuk lager komen te liggen. Zo toetst de Cito-Eindtoets Rekenen bijvoorbeeld niet meer of kinderen ongelijknamige breuken kunnen optellen of hiermee kunnen vermenigvuldigen. Dit zijn belangrijke voorwaarden om te kunnen starten met wiskunde en algebra op het voortgezet onderwijs.
Ook zijn de meeste opgaven ver onder het niveau van eind groep 8. Het is in dit kader interessant om eens de kale bewerking uit de contextsom te halen en te kijken in welke groep deze leerstof wordt aangeboden. Prof. dr. Jan van de Craats heeft dit gedaan voor de Cito Eindtoets Rekenen 2008: http://bonrekenhulp.nl/Cito/Cito.html
Gelijkheid is een vies woord geworden in het onderwijs. Net als in de samenleving viert het individualisme hoogtij: ieder kind verdient het om zich op zijn eigen wijze en tempo te ontwikkelen. Als iemand anders beweert, dan wordt hij met argwaan bekeken. Het kind centraal en onderwijs op maat staan gelijk aan goed onderwijs.
Het zijn echter holle begrippen die een groot beroep doen op de moraliteit. Ze klinken krachtig en je kan het er onmogelijk mee oneens zijn. Maar wat betekenen ze echter concreet? Als ik dit navraag aan leerkrachten dan krijg ik zelden een helder antwoord.