Hiermee wordt bedoeld dat kinderen zó zelfstandig zijn, dat ze zelf wel weten wat voor onderwijs ze nodig hebben. Met andere woorden: elke buiten het kind om opgelegde structuur dient te ontbreken.
Stel nu: het zelfstandige kind ziet een huis, en wil zelf ook een huis hebben. Het kind begrijpt vervolgens onmiddellijk dat je om zo'n huis te bouwen iets moet weten van bouwmaterialen, fundering, mechanica, statica, isolatie, dakbedekking en hemelwaterafvoer. Daarnaast snapt het zelfstandige kind ook dat je bouwgrond moet kopen of huren, het verdiept zich in de finesses van erfpacht, het komt er zelfstandig achter dat je een bouwvergunning moet aanvragen, dat je bouwvakkers in dienst moet nemen, enzovoort.
Uit dit absurde voorbeeld kunnen we zien dat een onderwijs dat geheel wordt gestuurd door de nieuwsgierigheid van een kind elke structuur zal missen, en daarmee niet het geringste rendement zal hebben. De Iederwijsscholen, die in belangrijke mate op dit principe berusten, zijn in deze zin een interessant experiment. De mate waarin de Iederwijs-kinderen op hun basisschool kennis zullen opdoen zal ongetwijfeld het falen van dit principe aantonen. Zie ook Mythe 3.