Laten we er nu even voor het gemak van uitgaan dat er zoiets als 'het bedrijfsleven' bestaat. In dat geval kun je ook spreken over 'het onderwijs'.
Volgens deze uitspraak wil het bedrijfsleven het onderwijs voorschrijven hoe ze hun werk moeten doen. Dat is dus geen kritiek, maar bemoeizucht. Waren wij 'het onderwijs', dan zou onze reactie zijn: 'Bemoei je met je eigen zaken! Gaan wij jullie vertellen hoe je nieuwe klanten in Japan voor je tulpen moet vinden? Vertel ons dan niet hoe we met leerlingen moeten werken. Ieder zijn vak!'
In werkelijkheid heb je natuurlijk niet zoiets als 'het bedrijfsleven'. En in werkelijkheid heeft er ook geen ondernemer om competentieleren of iets dergelijks gevraagd. De meeste ondernemers hebben niet de minste belangstelling voor de gebruikte methode in het onderwijs. Waar ze zich wél altijd zorgen om maken, is of hun aanstaande werknemers wel iets bruikbaars op school leren. Stelt u zich nu eens de eigenaar van een garagebedrijf voor, die een stagiair (VMBO, MBO?) ontvangt. Heeft zo'n jongen dan nog nooit gehoord van remvoeringen of koppakkingen, dan zal zijn baas dáár over klagen (en zo'n klacht hoort een school zich aan te trekken). Weet zo'n jongen dat juist wel, dan zal het die baas een zorg zijn hoe hij dat heeft geleerd. Die man heeft wel andere dingen aan zijn hoofd.
Natuurlijk vraagt er niemand uit een reëel bedrijf om een bepaalde onderwijsmethode. Wie vraagt daar dan wél om? Dat zullen één of enkele lobbygroepen zijn, die de gebruikelijke klachten uit het bedrijfsleven ('ze kunnen ook helemaal niks meer tegenwoordig') als argument naar voren hebben gebracht om hun favoriete onderwijsmethodiek ingevoerd te krijgen. Die lobbygroepen opereren in het grensgebied tussen onderwijs en bedrijfsleven dat hoofdzakelijk door onderwijsconsultants wordt bewoond. En aangezien die lobbygroepen ook allemaal kleine winkeltjes zijn, mogen ze zichzelf best tot het bedrijfsleven rekenen. Maar dat geeft ze niet het recht om namens het gehele bedrijfsleven te spreken.